BWBR0009158
Geldig vanaf 2005-09-13
Artikel 4c
Kleine serie-regeling
1. Artikel 3.3.1 Voertuigreglement
Bedrijfsauto’s zijn voor toelating tot het verkeer op de weg voorzien van een Nederlandse typegoedkeuring.
2. Artikel 3.3.3, eerste lid, Voertuigreglement
De ingevolge de bijlage bij richtlijn 76/114/EEG, paragraaf 2.1.2 vereiste vermelding van het nummer van de EEG-typegoedkeuring wordt vervangen door een vermelding van het nummer van de Nederlandse typegoedkeuring.
3. Artikel 3.3.12, eerste lid, Voertuigreglement
a. In plaats van het overleggen van een goedkeuringscertificaat of een testrapport mag de fabrikant de ingevolge richtlijn 70/221/EEG voorgeschreven beproevingen uitvoeren.
b. De ingevolge richtlijn 70/221/EEG voorgeschreven beproeving, anders dan de druk- en kanteltest van een brandstofreservoir van kunststof, mag worden vervangen door een verklaring van de fabrikant van die kunststof, dat: 1°. de kunststof voldoet aan de eisen uit richtlijn 70/221/EEG, en
2°. de kunststof reeds eerder is toegepast in soortgelijke constructies waar vergelijkbare eisen aan zijn gesteld.
1°. de kunststof voldoet aan de eisen uit richtlijn 70/221/EEG, en
2°. de kunststof reeds eerder is toegepast in soortgelijke constructies waar vergelijkbare eisen aan zijn gesteld.
4. Artikel 3.3.15 Voertuigreglement
De voorschriften betreffende geluiddempers die vezelig geluiddempend materiaal bevatten, bedoeld in bijlage I, punt 5.3.1.1 tot en met 5.3.1.3.8 van richtlijn 70/157/EEG, zijn niet van toepassing indien de gemeten waarde voor het geluidsniveau tenminste 1 dB(A) lager is dan in richtlijn 70/157/EEG, bijlage I, in de tabel volgens punt 5.2.2.1 voor het desbetreffende voertuig is aangegeven.
5. Artikel 3.3.16, eerste lid, Voertuigreglement
a. Indien het voertuig wordt getoetst volgens het bepaalde in richtlijn 70/220/EEG en de referentiemassa is ten hoogste 2840 kg, worden de proeven niet uitgevoerd indien blijkt dat de motor, de ontstekingsinrichting, het brandstofsysteem en het in- en uitlaatsysteem overeenkomen met de motor, de ontstekingsinrichting, het brandstofsysteem en het in- en uitlaatsysteem van een motorrijtuig dat voldoet aan de eisen van hoofdstuk 3, afdelingen 2 of 3 van het Voertuigreglement. De referentiemassa van dat laatste motorrijtuig mag niet kleiner zijn dan de ledige massa van de bedrijfsauto waarvoor goedkeuring wordt gevraagd.
b. In afwijking van onderdeel a mogen mobiele kranen met een toegestane maximum massa van meer dan 12.000 kg naar keuze voldoen aan richtlijn 2005/55/EG of richtlijn 97/68/EG.
6. Artikel 3.3.16, tweede en derde lid, van het Voertuigreglementzijn niet van toepassing.
7. Artikel 3.3.17, eerste lid, Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat en een goedkeuring van het onderdeel zijn niet vereist.
8. Artikel 3.3.18, tweede lid, Voertuigreglementt
Richtlijn 80/1269/EEGis niet van toepassing. De fabrikant doet opgave van het motorvermogen.
9. Artikel 3.3.23, eerste lid, Voertuigreglement
Voor de wijze van monteren van de banden is goedkeuring niet vereist.
10. Artikel 3.3.25, eerste lid, Voertuigreglement
a. Bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, moeten voldoen aan richtlijn 70/311/EEG, bijlage I, punt 4.1 en punt 4.2.4.1.1, met uitzondering van de testen bedoeld in punt 4.1.1, 4.1.3 en 4.1.5.
b. Voor mobiele kranen met een toegestane maximum massa van meer dan 12000 kg, is krabbengang toegestaan.
c. Het overige bepaalde in richtlijn 70/311/EEG is op bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg niet van toepassing.
11. Artikel 3.3.26, eerste lid, Voertuigreglement
Voor een aanvulling op een reeds beproefd remsysteem is het bepaalde omtrent de wijze van keuren in richtlijn 71/320/EEGniet van toepassing.
12. Artikel 3.3.27, eerste lid, Voertuigreglement
a. De deuren, sloten en scharnieren van bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 31 december 1994 en bestemd voor het vervoer van goederen, moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/387/EEG, bijlage I, punt 3.
b. Het overige bepaalde in richtlijn 70/387/EEG is niet van toepassing.
13. Artikel 3.3.29, eerste lid, Voertuigreglement
a. De voorruit moet voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/22/EEG.
b. De voorruiten en zijruiten mogen geen beeldvertekening tonen.
c. Indien er bij het voor vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg geen rechterbuitenspiegel is gemonteerd, mogen de achterruiten geen beeldvertekening veroorzaken waardoor de bestuurder kan worden gehinderd.
d. Het materiaal van de ruiten van bedrijfsauto’s moet bestaan uit gehard glas, gelaagd glas of kunststof, dan wel: 1°. het moet ten minste even doorzichtig zijn als gewoon glas, en
2°. het moet bij breuk minder kans geven op ernstige verwondingen dan bij breuk van gewoon glas.
1°. het moet ten minste even doorzichtig zijn als gewoon glas, en
2°. het moet bij breuk minder kans geven op ernstige verwondingen dan bij breuk van gewoon glas.
e. Het overige bepaalde in richtlijn 92/22/EEG is niet van toepassing.
14. Artikel 3.3.30 Voertuigreglement
De bepalingen omtrent de wijze van keuren zijn niet van toepassing.
15. Artikel 3.3.31 Voertuigreglement
De bepalingen omtrent de wijze van keuren zijn niet van toepassing.
16. Artikel 3.3.33 Voertuigreglement
a. Bedrijfsauto’s moeten voor wat betreft de kleur van de verklikkerlichten voldoen aan het bepaalde in bijlage II van richtlijn 78/316/EEG.
b. Het overige bepaalde in richtlijn 78/316/EEG is niet van toepassing.
17. Artikel 3.3.34 Voertuigreglement
De bepalingen van richtlijn 2001/56/EGomtrent de wijze van keuren in bijlage IV t/m VI zijn niet van toepassing.
18. Artikel 3.3.35, eerste lid, Voertuigreglement
a. Bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 1500 kg, moeten voor wat betreft de bescherming van de inzittenden bij een ongeval voldoen aan de volgende eisen: 1°. de stuurinrichting moet zodanig zijn geconstrueerd dat als gevolg van een frontale botsing de achterwaartse verplaatsing van het stuurwiel wordt gereduceerd;
2°. Het stuurwiel moet voldoen aan de proef met het proefhoofd bedoeld in richtlijn 74/297/EEG, bijlage I, punt 5.3;
3°. het stuurwiel moet zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en bevestigd dat geen deel van het oppervlak van het stuurwiel dat naar de bestuurder is gericht en geraakt kan worden door een bol met een diameter van 165 mm, een ruw oppervlak of scherpe kanten bevat met een krommingsstraal geringer dan 2,5 mm, en
4°. het stuurwiel moet zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en bevestigd dat het geen delen of accessoires, met inbegrip van de bedieningsinrichting van de geluidssignaalinrichting en andere bedieningsinrichtingen, omvat, waaraan de bestuurder met zijn kleding of sieraden kan blijven vastzitten bij een normale besturing van het voertuig.
1°. de stuurinrichting moet zodanig zijn geconstrueerd dat als gevolg van een frontale botsing de achterwaartse verplaatsing van het stuurwiel wordt gereduceerd;
2°. Het stuurwiel moet voldoen aan de proef met het proefhoofd bedoeld in richtlijn 74/297/EEG, bijlage I, punt 5.3;
3°. het stuurwiel moet zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en bevestigd dat geen deel van het oppervlak van het stuurwiel dat naar de bestuurder is gericht en geraakt kan worden door een bol met een diameter van 165 mm, een ruw oppervlak of scherpe kanten bevat met een krommingsstraal geringer dan 2,5 mm, en
4°. het stuurwiel moet zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en bevestigd dat het geen delen of accessoires, met inbegrip van de bedieningsinrichting van de geluidssignaalinrichting en andere bedieningsinrichtingen, omvat, waaraan de bestuurder met zijn kleding of sieraden kan blijven vastzitten bij een normale besturing van het voertuig.
b. Het overige bepaalde in richtlijn 74/297/EEG is niet van toepassing.
19. Artikel 3.3.35, tweede lid, Voertuigreglement
a. De bepalingen van richtlijn 74/408/EEG omtrent de wijze van keuren van bevestiging van de stoelen, zijn niet op bussen van toepassing.
b. Hoofdsteunen van bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg: 1°. moeten zodanig zijn bevestigd dat geen enkel vast en gevaarlijk gedeelte buiten de bekleding van de hoofdsteunen, de bevestiging van de hoofdsteunen en de rugleuning van de zitplaatsen kan uitsteken;
2°. mogen in geen enkele gebruikstoestand gevaarlijke oneffenheden of scherpe kanten vertonen die het risico op of de ernst van verwondingen van inzittenden van het voertuig kunnen vergroten;
3°. moeten de eigenschap bezitten energie te absorberen ter bescherming van het hoofd van inzittenden van het voertuig, en
4°. mogen geen bijkomende oorzaak van gevaar zijn voor de inzittenden van het voertuig.
1°. moeten zodanig zijn bevestigd dat geen enkel vast en gevaarlijk gedeelte buiten de bekleding van de hoofdsteunen, de bevestiging van de hoofdsteunen en de rugleuning van de zitplaatsen kan uitsteken;
2°. mogen in geen enkele gebruikstoestand gevaarlijke oneffenheden of scherpe kanten vertonen die het risico op of de ernst van verwondingen van inzittenden van het voertuig kunnen vergroten;
3°. moeten de eigenschap bezitten energie te absorberen ter bescherming van het hoofd van inzittenden van het voertuig, en
4°. mogen geen bijkomende oorzaak van gevaar zijn voor de inzittenden van het voertuig.
20. Artikel 3.3.35, derde lid, van het Voertuigreglementis niet van toepassing.
21. Artikel 3.3.36, vijfde lid, Voertuigreglement
Het is toegestaan bedrijfsauto’s te voorzien van autogordels die zijn goedgekeurd voor een ander type voertuig dan waarvoor goedkeuring wordt gevraagd, indien:
a. de positie van de bevestigingspunten in het voertuig overeenstemt met de positie waarin de autogordels zijn goedgekeurd;
b. de autogordels zijn aangebracht overeenkomstig de montagevoorschriften van de fabrikant van de autogordels, en
c. voor autogordels met specifieke eigenschappen de geschiktheid wordt aangetoond.
22. Artikel 3.3.37, eerste lid, Voertuigreglement
a. Uitstekende delen die niet meer dan 5 mm uitsteken, zijn afgerond.
b. Uitstekende delen die meer dan 5 mm uitsteken moeten zijn afgerond met een kromtestraal van ten minste 2,5 mm.
c. In afwijking van de onderdelen a en b: 1°. hebben roosterdelen een kromtestraal van ten minste 2,5 mm indien de afstand tussen aangrenzende delen meer dan 40 mm bedraagt, ten minste 1 mm indien de afstand 25 mm tot 40 mm bedraagt en ten minste 0,5 mm indien de afstand minder dan 25 mm bedraagt;
2°. zijn naar buiten gerichte stijve vlakken van bumpers afgerond met een kromtestraal van ten minste 5 mm;
3°. zijn de randen van treeplanken en treden afgerond, en
4°. hebben randen van aan de zijkanten aangebrachte lucht- en regendeflectoren en vuilwerende luchtdeflectoren aan de ruiten die naar buiten kunnen worden gericht, een kromtestraal van ten minste 1 mm hebben.
1°. hebben roosterdelen een kromtestraal van ten minste 2,5 mm indien de afstand tussen aangrenzende delen meer dan 40 mm bedraagt, ten minste 1 mm indien de afstand 25 mm tot 40 mm bedraagt en ten minste 0,5 mm indien de afstand minder dan 25 mm bedraagt;
2°. zijn naar buiten gerichte stijve vlakken van bumpers afgerond met een kromtestraal van ten minste 5 mm;
3°. zijn de randen van treeplanken en treden afgerond, en
4°. hebben randen van aan de zijkanten aangebrachte lucht- en regendeflectoren en vuilwerende luchtdeflectoren aan de ruiten die naar buiten kunnen worden gericht, een kromtestraal van ten minste 1 mm hebben.
d. Buitenspiegels en hun bevestiging, evenals accessoires zoals antennes en bagagerekken worden buiten beschouwing gelaten.
e. Het bepaalde in richtlijn 92/114/EEG is niet van toepassing.
23. Artikel 3.3.37, vijfde lid, Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat en een goedkeuringsmerk zijn niet vereist.
24. Artikel 3.3.37, twaalfde lid, Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat en een goedkeuringsmerk zijn niet vereist.
25. Artikel 3.3.37, dertiende lid, Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat en een goedkeuringsmerk zijn niet vereist.
26. Artikel 3.3.37a van het Voertuigreglementis niet van toepassing.
27. Artikel 3.3.39 Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat en een goedkeuringsmerk zijn niet vereist.
28. Artikel 3.3.40 Voertuigreglement
Voor de gemonteerde verlichting, lichtsignalen en onderdelen daarvan behoeven geen goedkeuringscertificaten te worden overgelegd.
29. Artikel 3.3.41, eerste lid, Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat is niet vereist.
30. Artikel 3.3.46, eerste lid, Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat is niet vereist.
31. Artikel 3.3.54 Voertuigreglement
a. De test bedoeld in bijlage I, punt 2, hoeft niet te worden uitgevoerd indien er zich geen obstakels aan de voorzijde van de gemonteerde geluidssignaalinrichting bevinden.
b. Voor de gemonteerde geluidssignaalinrichting behoeft geen goedkeuringscertificaat te worden overgelegd.
32. Artikel 3.3.55 Voertuigreglement
Indien de bedrijfsauto is voorzien van een inrichting ter bescherming tegen ongeoorloofd gebruik van het voertuig, moet deze inrichting voldoen aan richtlijn 74/61/EEG.
33. Artikel 3.3.56 Voertuigreglement
Een typegoedkeuringscertificaat is niet vereist.
Bedrijfsauto’s zijn voor toelating tot het verkeer op de weg voorzien van een Nederlandse typegoedkeuring.
2. Artikel 3.3.3, eerste lid, Voertuigreglement
De ingevolge de bijlage bij richtlijn 76/114/EEG, paragraaf 2.1.2 vereiste vermelding van het nummer van de EEG-typegoedkeuring wordt vervangen door een vermelding van het nummer van de Nederlandse typegoedkeuring.
3. Artikel 3.3.12, eerste lid, Voertuigreglement
a. In plaats van het overleggen van een goedkeuringscertificaat of een testrapport mag de fabrikant de ingevolge richtlijn 70/221/EEG voorgeschreven beproevingen uitvoeren.
b. De ingevolge richtlijn 70/221/EEG voorgeschreven beproeving, anders dan de druk- en kanteltest van een brandstofreservoir van kunststof, mag worden vervangen door een verklaring van de fabrikant van die kunststof, dat: 1°. de kunststof voldoet aan de eisen uit richtlijn 70/221/EEG, en
2°. de kunststof reeds eerder is toegepast in soortgelijke constructies waar vergelijkbare eisen aan zijn gesteld.
1°. de kunststof voldoet aan de eisen uit richtlijn 70/221/EEG, en
2°. de kunststof reeds eerder is toegepast in soortgelijke constructies waar vergelijkbare eisen aan zijn gesteld.
4. Artikel 3.3.15 Voertuigreglement
De voorschriften betreffende geluiddempers die vezelig geluiddempend materiaal bevatten, bedoeld in bijlage I, punt 5.3.1.1 tot en met 5.3.1.3.8 van richtlijn 70/157/EEG, zijn niet van toepassing indien de gemeten waarde voor het geluidsniveau tenminste 1 dB(A) lager is dan in richtlijn 70/157/EEG, bijlage I, in de tabel volgens punt 5.2.2.1 voor het desbetreffende voertuig is aangegeven.
5. Artikel 3.3.16, eerste lid, Voertuigreglement
a. Indien het voertuig wordt getoetst volgens het bepaalde in richtlijn 70/220/EEG en de referentiemassa is ten hoogste 2840 kg, worden de proeven niet uitgevoerd indien blijkt dat de motor, de ontstekingsinrichting, het brandstofsysteem en het in- en uitlaatsysteem overeenkomen met de motor, de ontstekingsinrichting, het brandstofsysteem en het in- en uitlaatsysteem van een motorrijtuig dat voldoet aan de eisen van hoofdstuk 3, afdelingen 2 of 3 van het Voertuigreglement. De referentiemassa van dat laatste motorrijtuig mag niet kleiner zijn dan de ledige massa van de bedrijfsauto waarvoor goedkeuring wordt gevraagd.
b. In afwijking van onderdeel a mogen mobiele kranen met een toegestane maximum massa van meer dan 12.000 kg naar keuze voldoen aan richtlijn 2005/55/EG of richtlijn 97/68/EG.
6. Artikel 3.3.16, tweede en derde lid, van het Voertuigreglementzijn niet van toepassing.
7. Artikel 3.3.17, eerste lid, Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat en een goedkeuring van het onderdeel zijn niet vereist.
8. Artikel 3.3.18, tweede lid, Voertuigreglementt
Richtlijn 80/1269/EEGis niet van toepassing. De fabrikant doet opgave van het motorvermogen.
9. Artikel 3.3.23, eerste lid, Voertuigreglement
Voor de wijze van monteren van de banden is goedkeuring niet vereist.
10. Artikel 3.3.25, eerste lid, Voertuigreglement
a. Bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, moeten voldoen aan richtlijn 70/311/EEG, bijlage I, punt 4.1 en punt 4.2.4.1.1, met uitzondering van de testen bedoeld in punt 4.1.1, 4.1.3 en 4.1.5.
b. Voor mobiele kranen met een toegestane maximum massa van meer dan 12000 kg, is krabbengang toegestaan.
c. Het overige bepaalde in richtlijn 70/311/EEG is op bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg niet van toepassing.
11. Artikel 3.3.26, eerste lid, Voertuigreglement
Voor een aanvulling op een reeds beproefd remsysteem is het bepaalde omtrent de wijze van keuren in richtlijn 71/320/EEGniet van toepassing.
12. Artikel 3.3.27, eerste lid, Voertuigreglement
a. De deuren, sloten en scharnieren van bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 31 december 1994 en bestemd voor het vervoer van goederen, moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/387/EEG, bijlage I, punt 3.
b. Het overige bepaalde in richtlijn 70/387/EEG is niet van toepassing.
13. Artikel 3.3.29, eerste lid, Voertuigreglement
a. De voorruit moet voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/22/EEG.
b. De voorruiten en zijruiten mogen geen beeldvertekening tonen.
c. Indien er bij het voor vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg geen rechterbuitenspiegel is gemonteerd, mogen de achterruiten geen beeldvertekening veroorzaken waardoor de bestuurder kan worden gehinderd.
d. Het materiaal van de ruiten van bedrijfsauto’s moet bestaan uit gehard glas, gelaagd glas of kunststof, dan wel: 1°. het moet ten minste even doorzichtig zijn als gewoon glas, en
2°. het moet bij breuk minder kans geven op ernstige verwondingen dan bij breuk van gewoon glas.
1°. het moet ten minste even doorzichtig zijn als gewoon glas, en
2°. het moet bij breuk minder kans geven op ernstige verwondingen dan bij breuk van gewoon glas.
e. Het overige bepaalde in richtlijn 92/22/EEG is niet van toepassing.
14. Artikel 3.3.30 Voertuigreglement
De bepalingen omtrent de wijze van keuren zijn niet van toepassing.
15. Artikel 3.3.31 Voertuigreglement
De bepalingen omtrent de wijze van keuren zijn niet van toepassing.
16. Artikel 3.3.33 Voertuigreglement
a. Bedrijfsauto’s moeten voor wat betreft de kleur van de verklikkerlichten voldoen aan het bepaalde in bijlage II van richtlijn 78/316/EEG.
b. Het overige bepaalde in richtlijn 78/316/EEG is niet van toepassing.
17. Artikel 3.3.34 Voertuigreglement
De bepalingen van richtlijn 2001/56/EGomtrent de wijze van keuren in bijlage IV t/m VI zijn niet van toepassing.
18. Artikel 3.3.35, eerste lid, Voertuigreglement
a. Bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 1500 kg, moeten voor wat betreft de bescherming van de inzittenden bij een ongeval voldoen aan de volgende eisen: 1°. de stuurinrichting moet zodanig zijn geconstrueerd dat als gevolg van een frontale botsing de achterwaartse verplaatsing van het stuurwiel wordt gereduceerd;
2°. Het stuurwiel moet voldoen aan de proef met het proefhoofd bedoeld in richtlijn 74/297/EEG, bijlage I, punt 5.3;
3°. het stuurwiel moet zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en bevestigd dat geen deel van het oppervlak van het stuurwiel dat naar de bestuurder is gericht en geraakt kan worden door een bol met een diameter van 165 mm, een ruw oppervlak of scherpe kanten bevat met een krommingsstraal geringer dan 2,5 mm, en
4°. het stuurwiel moet zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en bevestigd dat het geen delen of accessoires, met inbegrip van de bedieningsinrichting van de geluidssignaalinrichting en andere bedieningsinrichtingen, omvat, waaraan de bestuurder met zijn kleding of sieraden kan blijven vastzitten bij een normale besturing van het voertuig.
1°. de stuurinrichting moet zodanig zijn geconstrueerd dat als gevolg van een frontale botsing de achterwaartse verplaatsing van het stuurwiel wordt gereduceerd;
2°. Het stuurwiel moet voldoen aan de proef met het proefhoofd bedoeld in richtlijn 74/297/EEG, bijlage I, punt 5.3;
3°. het stuurwiel moet zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en bevestigd dat geen deel van het oppervlak van het stuurwiel dat naar de bestuurder is gericht en geraakt kan worden door een bol met een diameter van 165 mm, een ruw oppervlak of scherpe kanten bevat met een krommingsstraal geringer dan 2,5 mm, en
4°. het stuurwiel moet zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en bevestigd dat het geen delen of accessoires, met inbegrip van de bedieningsinrichting van de geluidssignaalinrichting en andere bedieningsinrichtingen, omvat, waaraan de bestuurder met zijn kleding of sieraden kan blijven vastzitten bij een normale besturing van het voertuig.
b. Het overige bepaalde in richtlijn 74/297/EEG is niet van toepassing.
19. Artikel 3.3.35, tweede lid, Voertuigreglement
a. De bepalingen van richtlijn 74/408/EEG omtrent de wijze van keuren van bevestiging van de stoelen, zijn niet op bussen van toepassing.
b. Hoofdsteunen van bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg: 1°. moeten zodanig zijn bevestigd dat geen enkel vast en gevaarlijk gedeelte buiten de bekleding van de hoofdsteunen, de bevestiging van de hoofdsteunen en de rugleuning van de zitplaatsen kan uitsteken;
2°. mogen in geen enkele gebruikstoestand gevaarlijke oneffenheden of scherpe kanten vertonen die het risico op of de ernst van verwondingen van inzittenden van het voertuig kunnen vergroten;
3°. moeten de eigenschap bezitten energie te absorberen ter bescherming van het hoofd van inzittenden van het voertuig, en
4°. mogen geen bijkomende oorzaak van gevaar zijn voor de inzittenden van het voertuig.
1°. moeten zodanig zijn bevestigd dat geen enkel vast en gevaarlijk gedeelte buiten de bekleding van de hoofdsteunen, de bevestiging van de hoofdsteunen en de rugleuning van de zitplaatsen kan uitsteken;
2°. mogen in geen enkele gebruikstoestand gevaarlijke oneffenheden of scherpe kanten vertonen die het risico op of de ernst van verwondingen van inzittenden van het voertuig kunnen vergroten;
3°. moeten de eigenschap bezitten energie te absorberen ter bescherming van het hoofd van inzittenden van het voertuig, en
4°. mogen geen bijkomende oorzaak van gevaar zijn voor de inzittenden van het voertuig.
20. Artikel 3.3.35, derde lid, van het Voertuigreglementis niet van toepassing.
21. Artikel 3.3.36, vijfde lid, Voertuigreglement
Het is toegestaan bedrijfsauto’s te voorzien van autogordels die zijn goedgekeurd voor een ander type voertuig dan waarvoor goedkeuring wordt gevraagd, indien:
a. de positie van de bevestigingspunten in het voertuig overeenstemt met de positie waarin de autogordels zijn goedgekeurd;
b. de autogordels zijn aangebracht overeenkomstig de montagevoorschriften van de fabrikant van de autogordels, en
c. voor autogordels met specifieke eigenschappen de geschiktheid wordt aangetoond.
22. Artikel 3.3.37, eerste lid, Voertuigreglement
a. Uitstekende delen die niet meer dan 5 mm uitsteken, zijn afgerond.
b. Uitstekende delen die meer dan 5 mm uitsteken moeten zijn afgerond met een kromtestraal van ten minste 2,5 mm.
c. In afwijking van de onderdelen a en b: 1°. hebben roosterdelen een kromtestraal van ten minste 2,5 mm indien de afstand tussen aangrenzende delen meer dan 40 mm bedraagt, ten minste 1 mm indien de afstand 25 mm tot 40 mm bedraagt en ten minste 0,5 mm indien de afstand minder dan 25 mm bedraagt;
2°. zijn naar buiten gerichte stijve vlakken van bumpers afgerond met een kromtestraal van ten minste 5 mm;
3°. zijn de randen van treeplanken en treden afgerond, en
4°. hebben randen van aan de zijkanten aangebrachte lucht- en regendeflectoren en vuilwerende luchtdeflectoren aan de ruiten die naar buiten kunnen worden gericht, een kromtestraal van ten minste 1 mm hebben.
1°. hebben roosterdelen een kromtestraal van ten minste 2,5 mm indien de afstand tussen aangrenzende delen meer dan 40 mm bedraagt, ten minste 1 mm indien de afstand 25 mm tot 40 mm bedraagt en ten minste 0,5 mm indien de afstand minder dan 25 mm bedraagt;
2°. zijn naar buiten gerichte stijve vlakken van bumpers afgerond met een kromtestraal van ten minste 5 mm;
3°. zijn de randen van treeplanken en treden afgerond, en
4°. hebben randen van aan de zijkanten aangebrachte lucht- en regendeflectoren en vuilwerende luchtdeflectoren aan de ruiten die naar buiten kunnen worden gericht, een kromtestraal van ten minste 1 mm hebben.
d. Buitenspiegels en hun bevestiging, evenals accessoires zoals antennes en bagagerekken worden buiten beschouwing gelaten.
e. Het bepaalde in richtlijn 92/114/EEG is niet van toepassing.
23. Artikel 3.3.37, vijfde lid, Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat en een goedkeuringsmerk zijn niet vereist.
24. Artikel 3.3.37, twaalfde lid, Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat en een goedkeuringsmerk zijn niet vereist.
25. Artikel 3.3.37, dertiende lid, Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat en een goedkeuringsmerk zijn niet vereist.
26. Artikel 3.3.37a van het Voertuigreglementis niet van toepassing.
27. Artikel 3.3.39 Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat en een goedkeuringsmerk zijn niet vereist.
28. Artikel 3.3.40 Voertuigreglement
Voor de gemonteerde verlichting, lichtsignalen en onderdelen daarvan behoeven geen goedkeuringscertificaten te worden overgelegd.
29. Artikel 3.3.41, eerste lid, Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat is niet vereist.
30. Artikel 3.3.46, eerste lid, Voertuigreglement
Een goedkeuringscertificaat is niet vereist.
31. Artikel 3.3.54 Voertuigreglement
a. De test bedoeld in bijlage I, punt 2, hoeft niet te worden uitgevoerd indien er zich geen obstakels aan de voorzijde van de gemonteerde geluidssignaalinrichting bevinden.
b. Voor de gemonteerde geluidssignaalinrichting behoeft geen goedkeuringscertificaat te worden overgelegd.
32. Artikel 3.3.55 Voertuigreglement
Indien de bedrijfsauto is voorzien van een inrichting ter bescherming tegen ongeoorloofd gebruik van het voertuig, moet deze inrichting voldoen aan richtlijn 74/61/EEG.
33. Artikel 3.3.56 Voertuigreglement
Een typegoedkeuringscertificaat is niet vereist.