BWBR0008800
Geldig vanaf 2019-07-23
Artikel 8
Regeling wapens en munitie
1. De aanvrager of de beheerder, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, van de wetis niet jonger dat achttien jaar.
2. De aanvrager of de beheerder, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, van de wetmag niet met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrechtin een psychiatrisch ziekenhuis zijn geplaatst, dan wel met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrechtter beschikking zijn gesteld.
3. De aanvrager, of de beheerder bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, van de wetmag niet binnen de laatste acht jaren bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn veroordeeld wegens overtreding van één of meer bepalingen gesteld bij of krachtens:
a. de Wet van 9 mei 1890 (Stb. 81), houdende verbodsbepalingen tegen het dragen van wapenen;
b. de Vuurwapenwet 1919;
c. de Wet tot wering van ongewenste handwapenen;
d. de Wet wapens en munitie;
e. de artikelen 92 tot en met 110, 115, 116, 121 tot en met 125, 131, 141, 181, 182, 191, 208, 209, 225, 226, 242, 246, 250ter, 282, 282a, 285, 287 tot en met 289, 300, tweede, derde en vierde lid, 301, tweede en derde lid, 302, 303, 310, 311, 312, 317, 322, 326, 328, 336, 341, 343 tot en met 345, 350, 359, 360, 367, 381, 385a, 385b, 416, 417, 417bis en 437 tot en met 437quater, van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen van Titel VII van het Tweede Boek, van het Wetboek van Strafrecht;
f. de artikelen 77, 78, 81, 82, 98, tot en met 100, 116, 117, 119, en 120 van het Wetboek van Militair Strafrecht;
g. de Opiumwet.
4. De aanvrager of de beheerder, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, van de wetmag niet binnen de laatste acht jaren in het buitenland bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn veroordeeld wegens overtreding van één of meer aldaar geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de bepalingen genoemd in het vorige lid.
5. Op de termijnen genoemd in het derde en vierde lid zijn de bepalingen van de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaring omtrent het gedragvan overeenkomstige toepassing.
6. Een onherroepelijke strafbeschikking wordt voor de toepassing van het derde lid met een veroordeling gelijk gesteld.
7. Van het bepaalde in het tweede tot en met vierde lid kan de korpschef op verzoek ontheffing verlenen indien de toepassing daarvan kennelijk onredelijk is.
2. De aanvrager of de beheerder, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, van de wetmag niet met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrechtin een psychiatrisch ziekenhuis zijn geplaatst, dan wel met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrechtter beschikking zijn gesteld.
3. De aanvrager, of de beheerder bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, van de wetmag niet binnen de laatste acht jaren bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn veroordeeld wegens overtreding van één of meer bepalingen gesteld bij of krachtens:
a. de Wet van 9 mei 1890 (Stb. 81), houdende verbodsbepalingen tegen het dragen van wapenen;
b. de Vuurwapenwet 1919;
c. de Wet tot wering van ongewenste handwapenen;
d. de Wet wapens en munitie;
e. de artikelen 92 tot en met 110, 115, 116, 121 tot en met 125, 131, 141, 181, 182, 191, 208, 209, 225, 226, 242, 246, 250ter, 282, 282a, 285, 287 tot en met 289, 300, tweede, derde en vierde lid, 301, tweede en derde lid, 302, 303, 310, 311, 312, 317, 322, 326, 328, 336, 341, 343 tot en met 345, 350, 359, 360, 367, 381, 385a, 385b, 416, 417, 417bis en 437 tot en met 437quater, van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen van Titel VII van het Tweede Boek, van het Wetboek van Strafrecht;
f. de artikelen 77, 78, 81, 82, 98, tot en met 100, 116, 117, 119, en 120 van het Wetboek van Militair Strafrecht;
g. de Opiumwet.
4. De aanvrager of de beheerder, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, van de wetmag niet binnen de laatste acht jaren in het buitenland bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn veroordeeld wegens overtreding van één of meer aldaar geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de bepalingen genoemd in het vorige lid.
5. Op de termijnen genoemd in het derde en vierde lid zijn de bepalingen van de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaring omtrent het gedragvan overeenkomstige toepassing.
6. Een onherroepelijke strafbeschikking wordt voor de toepassing van het derde lid met een veroordeling gelijk gesteld.
7. Van het bepaalde in het tweede tot en met vierde lid kan de korpschef op verzoek ontheffing verlenen indien de toepassing daarvan kennelijk onredelijk is.