BWBR0008747
Geldig vanaf 1997-07-19
Artikel 5
Regeling onderwijsbevoegdheid Lid-Staten
1. De bevoegde autoriteit kent de gewenste EG-verklaring zonder nadere voorwaarden aan de aanvrager toe indien:
a. de Nederlandse taal in voldoende mate wordt beheerst, zonodig aan te tonen door het bezit van een van de diploma's, genoemd in artikel 6, eerste lid,
b. de vakgebieden van de opleiding die ten grondslag heeft gelegen aan het door de aanvrager behaalde diploma niet of in geringe mate verschillen van de wezenlijke vakgebieden van de Nederlandse opleiding die vereist is voor het verkrijgen van de gewenste onderwijsbevoegdheid, en
c. de cursusduur van de gevolgde opleiding minder dan een jaar korter is dan die van de Nederlandse opleiding die vereist is voor het verkrijgen van de gewenste onderwijsbevoegdheid.
Indien de aanvrager een deeltijdse opleiding heeft gevolgd, dan wel een opleiding heeft gevolgd die in de Lid-Staat van herkomst gelijkwaardig is verklaard met de aldaar vereiste opleiding, wordt bij het bepalen van de cursusduur van de gevolgde opleiding niet uitgegaan van de cursusduur van de door hem gevolgde opleiding, maar van de voltijdse duur van de vereiste opleiding in de Lid-Staat van herkomst.
2. Nadat de aanvrager bij de bevoegde autoriteit heeft aangetoond aan de gestelde voorwaarden te hebben voldaan, geeft de bevoegde autoriteit binnen vier weken de EG-verklaring af.
3. De voorwaarde, genoemd in het eerste lid, onder a, is niet van toepassing op een aanvrager, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a.1, c.1, e en f.
a. de Nederlandse taal in voldoende mate wordt beheerst, zonodig aan te tonen door het bezit van een van de diploma's, genoemd in artikel 6, eerste lid,
b. de vakgebieden van de opleiding die ten grondslag heeft gelegen aan het door de aanvrager behaalde diploma niet of in geringe mate verschillen van de wezenlijke vakgebieden van de Nederlandse opleiding die vereist is voor het verkrijgen van de gewenste onderwijsbevoegdheid, en
c. de cursusduur van de gevolgde opleiding minder dan een jaar korter is dan die van de Nederlandse opleiding die vereist is voor het verkrijgen van de gewenste onderwijsbevoegdheid.
Indien de aanvrager een deeltijdse opleiding heeft gevolgd, dan wel een opleiding heeft gevolgd die in de Lid-Staat van herkomst gelijkwaardig is verklaard met de aldaar vereiste opleiding, wordt bij het bepalen van de cursusduur van de gevolgde opleiding niet uitgegaan van de cursusduur van de door hem gevolgde opleiding, maar van de voltijdse duur van de vereiste opleiding in de Lid-Staat van herkomst.
2. Nadat de aanvrager bij de bevoegde autoriteit heeft aangetoond aan de gestelde voorwaarden te hebben voldaan, geeft de bevoegde autoriteit binnen vier weken de EG-verklaring af.
3. De voorwaarde, genoemd in het eerste lid, onder a, is niet van toepassing op een aanvrager, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a.1, c.1, e en f.