BWBR0008747
Geldig vanaf 1997-07-19
Artikel 3
Regeling onderwijsbevoegdheid Lid-Staten
1. Degene die in aanmerking wenst te komen voor toelating in Nederland tot een of meer van de hieronder genoemde beroepen dient daartoe een aanvraag voor het verkrijgen van een EG-verklaring in bij de bevoegde autoriteit. Bij de beroepen genoemd onder c, c.1 en f dient het vak of vakgebied te worden aangegeven. Bij de beroepen onder a, a.1 en b behoeft slechts in voorkomende gevallen het vakgebied te worden aangegeven.
a. Leraar in het basisonderwijs;
a.1. leraar in het basisonderwijs aan een Engels - Nederlandstalige afdeling;
b. leraar in het (voortgezet) speciaal onderwijs;
c. leraar in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs;
c.1. leraar in het voortgezet onderwijs aan een cursus Engels - Nederlandstalig onderwijs of een cursus Internationaal Baccalaureaat;
d. docent in de sector educatie en beroepsonderwijs, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs;
e. docent in het hoger beroepsonderwijs met uitzondering van de opleidingen, genoemd onder het onderdeel onderwijs van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
f. docent van de opleidingen genoemd onder het onderdeel onderwijs van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs.
2. Bij de aanvraag dient te worden aangegeven dan wel te worden overgelegd:
a. het beroep of de beroepen, genoemd in het eerste lid, tot welke toelating wordt gewenst;
b. een gewaarmerkte kopie van het diploma op grond waarvan in de Lid-Staat van herkomst onderwijsbevoegdheid is verkregen;
c. een overzicht van relevante studiegegevens, in ieder geval bevattende de totale cursusduur, de bestudeerde hoofdvakken en eventueel andere vakken, en, indien beschikbaar, tevens een globale leerstofomschrijving van deze vakken met de daarbij behorende studietijd;
d. een schriftelijke verklaring van een daartoe bevoegde instantie in de Lid-Staat van herkomst waaruit blijkt welke onderwijsbevoegdheid de aanvrager in die Lid-Staat heeft;
e. indien de opleiding overwegend buiten de Lid-Staten is genoten, een bewijsstuk gewaarmerkt door de daartoe bevoegde instantie in de Lid-Staat van herkomst, dat ten minste drie jaren beroepservaring is opgedaan;
f. indien de aanvraag en de onder b tot en met e bedoelde stukken in een andere dan de Nederlandse of de Engelse taal zijn gesteld, een, zo mogelijk door een beëdigd tolk/vertaler opgestelde, vertaling daarvan in één van deze talen.
3. De bevoegde autoriteit stelt de aanvrager binnen vier weken op de hoogte van de datum van ontvangst van de aanvraag.
4. Indien de aanvraag niet volledig is, geeft de bevoegde autoriteit bij de in het derde lid bedoelde mededeling aan op welke punten de aanvraag aanvulling behoeft.
5. Bij ontvangst van de aanvullende informatie stelt de bevoegde autoriteit de aanvrager zo spoedig mogelijk op de hoogte van de datum van ontvangst.
a. Leraar in het basisonderwijs;
a.1. leraar in het basisonderwijs aan een Engels - Nederlandstalige afdeling;
b. leraar in het (voortgezet) speciaal onderwijs;
c. leraar in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs;
c.1. leraar in het voortgezet onderwijs aan een cursus Engels - Nederlandstalig onderwijs of een cursus Internationaal Baccalaureaat;
d. docent in de sector educatie en beroepsonderwijs, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs;
e. docent in het hoger beroepsonderwijs met uitzondering van de opleidingen, genoemd onder het onderdeel onderwijs van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
f. docent van de opleidingen genoemd onder het onderdeel onderwijs van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs.
2. Bij de aanvraag dient te worden aangegeven dan wel te worden overgelegd:
a. het beroep of de beroepen, genoemd in het eerste lid, tot welke toelating wordt gewenst;
b. een gewaarmerkte kopie van het diploma op grond waarvan in de Lid-Staat van herkomst onderwijsbevoegdheid is verkregen;
c. een overzicht van relevante studiegegevens, in ieder geval bevattende de totale cursusduur, de bestudeerde hoofdvakken en eventueel andere vakken, en, indien beschikbaar, tevens een globale leerstofomschrijving van deze vakken met de daarbij behorende studietijd;
d. een schriftelijke verklaring van een daartoe bevoegde instantie in de Lid-Staat van herkomst waaruit blijkt welke onderwijsbevoegdheid de aanvrager in die Lid-Staat heeft;
e. indien de opleiding overwegend buiten de Lid-Staten is genoten, een bewijsstuk gewaarmerkt door de daartoe bevoegde instantie in de Lid-Staat van herkomst, dat ten minste drie jaren beroepservaring is opgedaan;
f. indien de aanvraag en de onder b tot en met e bedoelde stukken in een andere dan de Nederlandse of de Engelse taal zijn gesteld, een, zo mogelijk door een beëdigd tolk/vertaler opgestelde, vertaling daarvan in één van deze talen.
3. De bevoegde autoriteit stelt de aanvrager binnen vier weken op de hoogte van de datum van ontvangst van de aanvraag.
4. Indien de aanvraag niet volledig is, geeft de bevoegde autoriteit bij de in het derde lid bedoelde mededeling aan op welke punten de aanvraag aanvulling behoeft.
5. Bij ontvangst van de aanvullende informatie stelt de bevoegde autoriteit de aanvrager zo spoedig mogelijk op de hoogte van de datum van ontvangst.