BWBR0008615
Geldig vanaf 1997-06-16
Artikel 17
Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997
1. De subsidie bedraagt twintig procent van de subsidiabele restauratiekosten.
2. In afwijking van het eerste lid gelden de volgende percentages:
a. voor kerkelijke monumenten: 40;
b. voor monumenten met uitzondering van molens, waarvan de eigenaar een in Nederland gevestigde privaatrechtelijke rechtspersoon is die zonder winstoogmerk in hoofdzaak de instandhouding van één of meer monumenten ten doel heeft en die is gerangschikt onder de instellingen, bedoeld in artikel 24, vierde lid, van de Successiewet 1956: 40;
c. voor molens en gemalen die uit een oogpunt van monumentenzorg bedrijfsvaardig zijn of door de restauratie bedrijfsvaardig worden gemaakt en waarvan de eigenaar een in Nederland gevestigde privaatrechtelijke rechtspersoon is die zonder winstoogmerk in hoofdzaak de instandhouding van één of meer monumenten ten doel heeft: 40;
d. voor monumenten waarvan de eigenaar een publiekrechtelijke rechtspersoon is en voor andere dan de onder c bedoelde molens en gemalen die uit een oogpunt van monumentenzorg bedrijfsvaardig zijn of door de restauratie bedrijfsvaardig worden gemaakt: 30;
e. Voor orgels, carillons, klokken en uurwerken, die deel uitmaken van een monument en die vermeld worden in het register waarin het monument is ingeschreven, voor zover dat monument valt: onder de onder a of b genoemde categorie: 40; onder de onder d genoemde categorie: 30.
3. De percentages, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden met 30 verhoogd, indien ten tijde van de indiening van de aanvraag om subsidie bij de gemeente, de eigenaar:
a. een lichaam is dat niet behoort tot de belastingplichtigen, bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
b. een lichaam is als bedoeld in artikel 5, onderdeel a, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 waarop artikel 10.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet van toepassing is;
c. een lichaam is als bedoeld in artikel 5, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
d. een lichaam is dat op grond van artikel 6 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is vrijgesteld van belasting;
e. een natuurlijke persoon is, die de kosten van restauratie niet kan aanmerken als uitgaven waarvoor hij persoonsgebonden aftrek in de zin van artikel 6.1, tweede lid, onderdeel g, van de Wet inkomstenbelasting 2001 kan genieten, zulks blijkens een daartoe strekkende beslissing van de belastingdienst, en voorzover het monument door hem niet wordt gebruikt in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf.
2. In afwijking van het eerste lid gelden de volgende percentages:
a. voor kerkelijke monumenten: 40;
b. voor monumenten met uitzondering van molens, waarvan de eigenaar een in Nederland gevestigde privaatrechtelijke rechtspersoon is die zonder winstoogmerk in hoofdzaak de instandhouding van één of meer monumenten ten doel heeft en die is gerangschikt onder de instellingen, bedoeld in artikel 24, vierde lid, van de Successiewet 1956: 40;
c. voor molens en gemalen die uit een oogpunt van monumentenzorg bedrijfsvaardig zijn of door de restauratie bedrijfsvaardig worden gemaakt en waarvan de eigenaar een in Nederland gevestigde privaatrechtelijke rechtspersoon is die zonder winstoogmerk in hoofdzaak de instandhouding van één of meer monumenten ten doel heeft: 40;
d. voor monumenten waarvan de eigenaar een publiekrechtelijke rechtspersoon is en voor andere dan de onder c bedoelde molens en gemalen die uit een oogpunt van monumentenzorg bedrijfsvaardig zijn of door de restauratie bedrijfsvaardig worden gemaakt: 30;
e. Voor orgels, carillons, klokken en uurwerken, die deel uitmaken van een monument en die vermeld worden in het register waarin het monument is ingeschreven, voor zover dat monument valt: onder de onder a of b genoemde categorie: 40; onder de onder d genoemde categorie: 30.
3. De percentages, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden met 30 verhoogd, indien ten tijde van de indiening van de aanvraag om subsidie bij de gemeente, de eigenaar:
a. een lichaam is dat niet behoort tot de belastingplichtigen, bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
b. een lichaam is als bedoeld in artikel 5, onderdeel a, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 waarop artikel 10.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet van toepassing is;
c. een lichaam is als bedoeld in artikel 5, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
d. een lichaam is dat op grond van artikel 6 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is vrijgesteld van belasting;
e. een natuurlijke persoon is, die de kosten van restauratie niet kan aanmerken als uitgaven waarvoor hij persoonsgebonden aftrek in de zin van artikel 6.1, tweede lid, onderdeel g, van de Wet inkomstenbelasting 2001 kan genieten, zulks blijkens een daartoe strekkende beslissing van de belastingdienst, en voorzover het monument door hem niet wordt gebruikt in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf.