1. Ten aanzien van de overdracht, wijziging en intrekking van een concessie, die is verleend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijven de wet van 21 april 1810 (Bulletin des Lois no. 285) en de
Mijnwet 1903, zoals deze golden vóór dat tijdstip, van toepassing.
2. Indien een concessie wordt verleend op grond van
artikel 8e, eerste lid, van de Mijnwet 1903en de desbetreffende vergunning is verleend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, geschiedt de verlening, in afwijking van het derde lid van genoemd artikel, met inachtneming van hetgeen hieromtrent bij algemene maatregel van bestuur is bepaald.
3. Ten aanzien van de overdracht, wijziging en intrekking van een vergunning als bedoeld in
artikel 2 van de Mijnwet continentaal plat, die is verleend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft de
Mijnwet continentaal platzoals deze gold vóór dat tijdstip, van toepassing.
4. Indien een winningsvergunning wordt verleend op grond van
artikel 13, eerste lid, van de Mijnwet continentaal platen de desbetreffende opsporingsvergunning is verleend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, geschiedt de verlening, in afwijking van het eerste lid, onder a, van genoemd artikel, met inachtneming van hetgeen hieromtrent bij algemene maatregel van bestuur is bepaald.
5. Ten aanzien van de wijziging en intrekking van een vergunning als bedoeld in
artikel 2 van de Wet opsporing delfstoffen, die is verleend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft de
Wet opsporing delfstoffenzoals deze gold vóór dat tijdstip, van toepassing.
6. Indien op grond van de
Wet opsporing delfstoffeneen vergunning voor koolwaterstoffen wordt aangevraagd voor een gebied waarvoor een prioriteitsverklaring geldt, die is verleend op grond van de Regeling prioriteitsverklaring geofysisch bodemonderzoek, wordt de aanvraag, in afwijking van
artikel 5a van de Wet opsporing delfstoffen, behandeld volgens de Regeling prioriteitsverklaring geofysisch bodemonderzoek.