BWBR0001870
Geldig vanaf 1999-02-17
Artikel 8e
Mijnwet 1903
1. Indien de houder van een vergunning voor een delfstof met gebruikmaking van die vergunning die delfstof in een economisch winbare hoeveelheid heeft aangetoond, wordt hem op zijn aanvraag, ingediend gedurende de geldingsduur van de vergunning, een concessie voor die delfstof verleend voor het gebied waarvoor de vergunning geldt, dan wel, ingeval de aanwezigheid van de betrokken delfstof slechts in een deel van dat gebied is aangetoond, voor het deel van het gebied, waarvoor verlening van de concessie op grond van de aantoning uit geologisch oogpunt gerechtvaardigd is.
2. Het eerste lid geldt niet indien weigering van de concessie gerechtvaardigd wordt door een wijziging in de technische of financiële mogelijkheden van de houder van de vergunning of door de manier waarop de aanvrager voornemens is de ontginning in het gebied, waarvoor de concessie wordt aangevraagd, te verrichten. Met betrekking tot concessies voor koolwaterstoffen is artikel 3, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
3. Indien op grond van het eerste lid een concessie voor koolwaterstoffen wordt verleend, geschiedt dit met inachtneming van de in artikel 8d, eerste lid, bedoelde algemene maatregel van bestuur, zoals deze luidde op het tijdstip waarop de vergunning werd verleend.
4. Indien een aanvraag als bedoeld in het eerste lid is ingediend, wordt de geldingsduur van de vergunning verlengd tot het tijdstip waarop de beschikking waarbij op de aanvraag wordt beslist in werking treedt.
5. Indien op grond van het tweede lid een concessie is geweigerd en de daartoe strekkende beschikking onherroepelijk is geworden, kan ten aanzien van het gebied waarvoor de concessie was aangevraagd, een concessie voor de delfstof aan een ander worden verleend. Geschiedt dit binnen tien jaren nadat de beschikking tot weigering onherroepelijk is geworden, dan wordt in die concessie bepaald, welk bedrag de houder aan de in het eerste lid bedoelde vergunninghouder wegens vinderspremie en ter vergoeding van de door deze gemaakte kosten zal betalen.
6. Op het tijdstip waarop een krachtens het eerste of vijfde lid genomen beschikking tot verlening van een concessie in werking is getreden, vervalt voor het gebied waarvoor de concessie geldt, de vergunning voor de delfstof.
2. Het eerste lid geldt niet indien weigering van de concessie gerechtvaardigd wordt door een wijziging in de technische of financiële mogelijkheden van de houder van de vergunning of door de manier waarop de aanvrager voornemens is de ontginning in het gebied, waarvoor de concessie wordt aangevraagd, te verrichten. Met betrekking tot concessies voor koolwaterstoffen is artikel 3, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
3. Indien op grond van het eerste lid een concessie voor koolwaterstoffen wordt verleend, geschiedt dit met inachtneming van de in artikel 8d, eerste lid, bedoelde algemene maatregel van bestuur, zoals deze luidde op het tijdstip waarop de vergunning werd verleend.
4. Indien een aanvraag als bedoeld in het eerste lid is ingediend, wordt de geldingsduur van de vergunning verlengd tot het tijdstip waarop de beschikking waarbij op de aanvraag wordt beslist in werking treedt.
5. Indien op grond van het tweede lid een concessie is geweigerd en de daartoe strekkende beschikking onherroepelijk is geworden, kan ten aanzien van het gebied waarvoor de concessie was aangevraagd, een concessie voor de delfstof aan een ander worden verleend. Geschiedt dit binnen tien jaren nadat de beschikking tot weigering onherroepelijk is geworden, dan wordt in die concessie bepaald, welk bedrag de houder aan de in het eerste lid bedoelde vergunninghouder wegens vinderspremie en ter vergoeding van de door deze gemaakte kosten zal betalen.
6. Op het tijdstip waarop een krachtens het eerste of vijfde lid genomen beschikking tot verlening van een concessie in werking is getreden, vervalt voor het gebied waarvoor de concessie geldt, de vergunning voor de delfstof.