BWBR0007734
Geldig vanaf 1996-01-01
Artikel 6
Onderwijsregeling inburgering nieuwkomers 1996
De uitkering wordt afgerekend op voorwaarde dat:
a. de gemeente bij de rekening en verantwoording over een document beschikt waaruit blijkt dat met de nieuwkomer binnen de termijnen, genoemd in artikel 1, onderdeel j, van ten hoogste 4 of 10 maanden met de gemeente afspraken heeft gemaakt omtrent het volgen van een onderwijsaanbod;
de gemeente voor elke in de rekening en verantwoording opgenomen nieuwkomer-deelnemer beschikt over een voortgangsrapport met betrekking tot het met die nieuwkomer-deelnemer afgesproken onderwijsaanbod;
in de rekening en verantwoording slechts nieuwkomer-deelnemers zijn opgenomen die: 1º. voldoen aan het vereiste van artikel 3, tweede lid, onderdeel d, met dien verstande dat ten hoogste 15% daarvan, niet behoeft te voldoen aan dat vereiste;
2º. de toets hebben afgelegd, en
3º. op grond van een daartoe strekkende aanvraag bedoeld in de Welzijnsregeling in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de uitkering voor de welzijnscomponent.
1º. voldoen aan het vereiste van artikel 3, tweede lid, onderdeel d, met dien verstande dat ten hoogste 15% daarvan, niet behoeft te voldoen aan dat vereiste;
2º. de toets hebben afgelegd, en
3º. op grond van een daartoe strekkende aanvraag bedoeld in de Welzijnsregeling in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de uitkering voor de welzijnscomponent.
a. de gemeente bij de rekening en verantwoording over een document beschikt waaruit blijkt dat met de nieuwkomer binnen de termijnen, genoemd in artikel 1, onderdeel j, van ten hoogste 4 of 10 maanden met de gemeente afspraken heeft gemaakt omtrent het volgen van een onderwijsaanbod;
de gemeente voor elke in de rekening en verantwoording opgenomen nieuwkomer-deelnemer beschikt over een voortgangsrapport met betrekking tot het met die nieuwkomer-deelnemer afgesproken onderwijsaanbod;
in de rekening en verantwoording slechts nieuwkomer-deelnemers zijn opgenomen die: 1º. voldoen aan het vereiste van artikel 3, tweede lid, onderdeel d, met dien verstande dat ten hoogste 15% daarvan, niet behoeft te voldoen aan dat vereiste;
2º. de toets hebben afgelegd, en
3º. op grond van een daartoe strekkende aanvraag bedoeld in de Welzijnsregeling in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de uitkering voor de welzijnscomponent.
1º. voldoen aan het vereiste van artikel 3, tweede lid, onderdeel d, met dien verstande dat ten hoogste 15% daarvan, niet behoeft te voldoen aan dat vereiste;
2º. de toets hebben afgelegd, en
3º. op grond van een daartoe strekkende aanvraag bedoeld in de Welzijnsregeling in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de uitkering voor de welzijnscomponent.