BWBR0007247
Geldig vanaf 1995-02-23
Artikel 9
Regeling borgstelling waterschadekredieten 1995
1. De Bank voldoet aan hetgeen door door de minister aangewezen, bij zijn ministerie werkzame personen wordt verzocht, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor een goede uitvoering van de Regeling borgstelling waterschadekredieten 1995 en deze overeenkomst, en voor zover het betrekking heeft op de uit deze regeling en deze overeenkomst voortvloeiende zelfstandige verplichtingen van de Bank, op de ondernemer aan wie het waterschadekrediet is verstrekt of op de met deze ondernemer gesloten kredietovereenkomsten omtrent:
a. het toegang verlenen tot door de Bank gebruikte plaatsen;
b. het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden;
c. het maken van kopieën van de onder b bedoelde gegevens en bescheiden;
d. het verlenen van medewerking aan het verstrekken van gegevens door anderen en
e. het verstrekken van inlichtingen.
2. Alleen in daartoe aanleiding gevende gevallen zal aan de Bank gevraagd worden de in het eerste lid bedoelde inlichtingen ook door haar interne accountant te doen verstrekken.
3. Van de mogelijkheid, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a, zal alleen gebruik worden gemaakt indien een ernstig vermoeden bestaat dat de Bank onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt.
4. De Bank stelt, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld, de minister binnen 5 weken na kennisname op de hoogte van de volgende feiten:
a. vervroegde volledige aflossing van het waterschadekrediet;
b. het door de afdeling ....... van de Bank in beheer nemen van het waterschadekrediet;
c. de verlening van surséance van betaling aan of de faillietverklaring van de ondernemer;
d. opeising van het waterschadekrediet.
5. Binnen drie maanden na afsluiting van ieder boekjaar zendt de Bank, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld, aan de minister een opgave van de omvang van de borgstelling aan het einde van het boekjaar voor alle waterschadekredieten te zamen, waarvoor de Bank nog geen verzoek om betaling als bedoeld in artikel 13 heeft ingediend. Deze omvang dient te worden berekend met toepassing van paragraaf 4.
6. Binnen zes maanden na afsluiting van ieder boekjaar zendt de Bank, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld, aan de minister een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waaruit blijkt van de juistheid en volledigheid van de in het vijfde lid bedoelde opgave.
7. Tijdens de looptijd van de krediet-overeenkomst uit hoofde waarvan een waterschadekrediet wordt verstrekt en tijdens de uitwinning zal de Bank waken over de belangen van de staat als borg.
8. De Bank zal er voor zorgdragen dat het waterschadekrediet niet wordt gebruikt voor de nakoming van verplichtingen van de ondernemer aan de Bank die het waterschadekrediet verstrekt of aan een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden is.
9. De Bank zal tijdens de looptijd van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een waterschadekrediet is verleend in de door haar te sluiten overeenkomsten met allen, niet zijnde de staat, die zich borg willen stellen voor de nakoming door de ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het waterschadekrediet is verleend een beding ten behoeve van de staat opnemen, ertoe strekkende dat de omslagregeling van artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek niet geldt ten opzichte van de staat en de Bank zal geen bedingen opnemen, ertoe leidende dat:
a. een borg er zich op zou kunnen beroepen dat de staat eerst zou moeten worden aangesproken,
b. een borg zich zou kunnen onttrekken aan toepassing door de staat van de omslagregeling van artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek.
a. het toegang verlenen tot door de Bank gebruikte plaatsen;
b. het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden;
c. het maken van kopieën van de onder b bedoelde gegevens en bescheiden;
d. het verlenen van medewerking aan het verstrekken van gegevens door anderen en
e. het verstrekken van inlichtingen.
2. Alleen in daartoe aanleiding gevende gevallen zal aan de Bank gevraagd worden de in het eerste lid bedoelde inlichtingen ook door haar interne accountant te doen verstrekken.
3. Van de mogelijkheid, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a, zal alleen gebruik worden gemaakt indien een ernstig vermoeden bestaat dat de Bank onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt.
4. De Bank stelt, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld, de minister binnen 5 weken na kennisname op de hoogte van de volgende feiten:
a. vervroegde volledige aflossing van het waterschadekrediet;
b. het door de afdeling ....... van de Bank in beheer nemen van het waterschadekrediet;
c. de verlening van surséance van betaling aan of de faillietverklaring van de ondernemer;
d. opeising van het waterschadekrediet.
5. Binnen drie maanden na afsluiting van ieder boekjaar zendt de Bank, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld, aan de minister een opgave van de omvang van de borgstelling aan het einde van het boekjaar voor alle waterschadekredieten te zamen, waarvoor de Bank nog geen verzoek om betaling als bedoeld in artikel 13 heeft ingediend. Deze omvang dient te worden berekend met toepassing van paragraaf 4.
6. Binnen zes maanden na afsluiting van ieder boekjaar zendt de Bank, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld, aan de minister een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waaruit blijkt van de juistheid en volledigheid van de in het vijfde lid bedoelde opgave.
7. Tijdens de looptijd van de krediet-overeenkomst uit hoofde waarvan een waterschadekrediet wordt verstrekt en tijdens de uitwinning zal de Bank waken over de belangen van de staat als borg.
8. De Bank zal er voor zorgdragen dat het waterschadekrediet niet wordt gebruikt voor de nakoming van verplichtingen van de ondernemer aan de Bank die het waterschadekrediet verstrekt of aan een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden is.
9. De Bank zal tijdens de looptijd van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een waterschadekrediet is verleend in de door haar te sluiten overeenkomsten met allen, niet zijnde de staat, die zich borg willen stellen voor de nakoming door de ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het waterschadekrediet is verleend een beding ten behoeve van de staat opnemen, ertoe strekkende dat de omslagregeling van artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek niet geldt ten opzichte van de staat en de Bank zal geen bedingen opnemen, ertoe leidende dat:
a. een borg er zich op zou kunnen beroepen dat de staat eerst zou moeten worden aangesproken,
b. een borg zich zou kunnen onttrekken aan toepassing door de staat van de omslagregeling van artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek.