BWBR0007247
Geldig vanaf 1995-02-23
Artikel 16
Regeling borgstelling waterschadekredieten 1995
1. De staat betaalt aan de Bank ter zake van waterschadekredieten een rentevergoeding.
2. De hoogte van de rentevergoeding wordt door de minister vastgesteld met inachtneming van de volgende formule:
[tabel]
R = de te betalen contant gemaakte rente
At = de te betalen rente over hoofdsom -/- aflossing in kwartaal t
r = Rente gelijk aan rendement op staatsleningen met een looptijd van 5 tot 8 jaar (koersindex effectieve rendementen obligaties CBS) gepubliceerd op 1 augustus 1995 vermeerderd met een opslag van 1,5 procentpunt.
n = looptijd krediet (in kwartalen).
3. De Bank dient uiterlijk 1 november 1995 een aanvraag om rentevergoeding in met gebruikmaking van een formulier, dat door de minister wordt vastgesteld.
4. De minister geeft een beslissing omtrent de hoogte van de rentevergoeding binnen vier weken na indiening van de aanvraag om rentevergoeding.
5. Indien het krediet voor het tijdstip waarvan de minister bij de vaststelling als bedoeld in het tweede lid is uitgegaan geheel of gedeeltelijk wordt afgelost of gedebiteerd uit hoofde van een aanvraag als bedoeld in artikel 13, eerste lid, is de Bank aan de staat een bedrag verschuldigd gelijk aan het verschil tussen het vastgestelde bedrag van de rentevergoeding en het bedrag waarop de rentevergoeding zou zijn vastgesteld indien bij die vaststelling de gerealiseerde omvang alsmede de looptijd van het krediet tot aan de datum van aflossing of datum van bovenbedoelde debitering in aanmerking zou zijn gekomen.
6. De Bank deelt, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld, de feiten en omstandigheden als bedoeld in het vijfde lid aan de minister mede.
7. De mededeling als bedoeld in het zesde lid geschiedt:
a. indien terzake van het waterschadekrediet een aanvraag wordt ingediend als bedoeld in artikel 13, tezamen met die aanvraag;
b. in de overige gevallen: binnen vijf weken na de volledige aflossing of opeising van het krediet.
8. De minister stelt het door de Bank met toepassing van het derde lid verschuldigde bedrag vast binnen vier weken na ontvangst van de mededeling als bedoeld in het vijfde lid.
2. De hoogte van de rentevergoeding wordt door de minister vastgesteld met inachtneming van de volgende formule:
[tabel]
R = de te betalen contant gemaakte rente
At = de te betalen rente over hoofdsom -/- aflossing in kwartaal t
r = Rente gelijk aan rendement op staatsleningen met een looptijd van 5 tot 8 jaar (koersindex effectieve rendementen obligaties CBS) gepubliceerd op 1 augustus 1995 vermeerderd met een opslag van 1,5 procentpunt.
n = looptijd krediet (in kwartalen).
3. De Bank dient uiterlijk 1 november 1995 een aanvraag om rentevergoeding in met gebruikmaking van een formulier, dat door de minister wordt vastgesteld.
4. De minister geeft een beslissing omtrent de hoogte van de rentevergoeding binnen vier weken na indiening van de aanvraag om rentevergoeding.
5. Indien het krediet voor het tijdstip waarvan de minister bij de vaststelling als bedoeld in het tweede lid is uitgegaan geheel of gedeeltelijk wordt afgelost of gedebiteerd uit hoofde van een aanvraag als bedoeld in artikel 13, eerste lid, is de Bank aan de staat een bedrag verschuldigd gelijk aan het verschil tussen het vastgestelde bedrag van de rentevergoeding en het bedrag waarop de rentevergoeding zou zijn vastgesteld indien bij die vaststelling de gerealiseerde omvang alsmede de looptijd van het krediet tot aan de datum van aflossing of datum van bovenbedoelde debitering in aanmerking zou zijn gekomen.
6. De Bank deelt, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model door de minister wordt vastgesteld, de feiten en omstandigheden als bedoeld in het vijfde lid aan de minister mede.
7. De mededeling als bedoeld in het zesde lid geschiedt:
a. indien terzake van het waterschadekrediet een aanvraag wordt ingediend als bedoeld in artikel 13, tezamen met die aanvraag;
b. in de overige gevallen: binnen vijf weken na de volledige aflossing of opeising van het krediet.
8. De minister stelt het door de Bank met toepassing van het derde lid verschuldigde bedrag vast binnen vier weken na ontvangst van de mededeling als bedoeld in het vijfde lid.