BWBR0007083
Geldig vanaf 2014-04-01
Artikel 27
Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994
1. De rechter kan bij schorsing van de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis, één of meer van de volgende bijzondere voorwaarden aan de schorsing verbinden:
1°. zich gedurende een door de rechter te bepalen termijn te houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook indien deze aanwijzingen inhouden dat de jeugdige zich onder behandeling van een bepaalde deskundige of bepaalde instantie zal stellen;
2°. het aanvaarden van intensieve begeleiding;
3°. het volgen van een leerproject van ten hoogste 120 uren;
4°. op een bepaald tijdstip of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn;
5°. zich op bepaalde tijdstippen te melden bij een bepaalde instantie;
6°. een verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde personen of instellingen;
7°. een verbod om zich op of in de directe omgeving van een bepaalde locatie te bevinden;
8°. een verbod op het gebruik van verdovende middelen of alcohol en de verplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;
9°. andere bijzondere voorwaarden, het gedrag van de jeugdige betreffende.
2. Een behandeling als bedoeld in het eerste lid, onder 1°, of de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onder 9°, kunnen geheel of ten dele bestaan uit een vorm van jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, indien het college van burgemeester en wethouders een besluit tot het treffen van een voorziening op het gebied van jeugdhulp als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet, heeft genomen.
3. De rechter kan de werking van de bijzondere voorwaarden, genoemd in het eerste lid, beperken tot een bij de beslissing tot schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis te bepalen tijdsduur, met dien verstande dat een behandeling als bedoeld in het eerste lid, onder 1°, de begeleiding als bedoeld in het eerste lid, onder 2°, en een voorwaarde als bedoeld in het eerste lid, onder 9°, ten hoogste zes maanden kunnen duren. Aan een bijzondere voorwaarde kan elektronisch toezicht worden verbonden.
4. Dit lid is nog niet in werking getreden.
5. De in artikel 493, zesde lid, van het Wetboek van Strafvorderingbedoelde instemming moet blijken uit een door de jeugdige ondertekende verklaring, waarin de aard en inhoud van de bijzondere voorwaarden zijn omschreven. De instemming van de jeugdige kan eveneens blijken uit het proces-verbaal ter terechtzitting.
1°. zich gedurende een door de rechter te bepalen termijn te houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook indien deze aanwijzingen inhouden dat de jeugdige zich onder behandeling van een bepaalde deskundige of bepaalde instantie zal stellen;
2°. het aanvaarden van intensieve begeleiding;
3°. het volgen van een leerproject van ten hoogste 120 uren;
4°. op een bepaald tijdstip of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn;
5°. zich op bepaalde tijdstippen te melden bij een bepaalde instantie;
6°. een verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde personen of instellingen;
7°. een verbod om zich op of in de directe omgeving van een bepaalde locatie te bevinden;
8°. een verbod op het gebruik van verdovende middelen of alcohol en de verplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;
9°. andere bijzondere voorwaarden, het gedrag van de jeugdige betreffende.
2. Een behandeling als bedoeld in het eerste lid, onder 1°, of de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onder 9°, kunnen geheel of ten dele bestaan uit een vorm van jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, indien het college van burgemeester en wethouders een besluit tot het treffen van een voorziening op het gebied van jeugdhulp als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet, heeft genomen.
3. De rechter kan de werking van de bijzondere voorwaarden, genoemd in het eerste lid, beperken tot een bij de beslissing tot schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis te bepalen tijdsduur, met dien verstande dat een behandeling als bedoeld in het eerste lid, onder 1°, de begeleiding als bedoeld in het eerste lid, onder 2°, en een voorwaarde als bedoeld in het eerste lid, onder 9°, ten hoogste zes maanden kunnen duren. Aan een bijzondere voorwaarde kan elektronisch toezicht worden verbonden.
4. Dit lid is nog niet in werking getreden.
5. De in artikel 493, zesde lid, van het Wetboek van Strafvorderingbedoelde instemming moet blijken uit een door de jeugdige ondertekende verklaring, waarin de aard en inhoud van de bijzondere voorwaarden zijn omschreven. De instemming van de jeugdige kan eveneens blijken uit het proces-verbaal ter terechtzitting.