BWBR0006857
Geldig vanaf 1994-09-01
Artikel 11
Besluit vergunningen mobiele telecommunicatie
1. Uiterlijk drie jaar voor het tijdstip waarop de periode waarvoor de vergunningen voor GSM, ERMES, DCS 1800 en DCS 1800 gecombineerd met GSM zijn verleend, is verstreken, maakt Onze Minister zijn voornemen met betrekking tot de verlengbaarheid van de vergunningen bekend. Indien zijn voornemen strekt tot verlengbaarheid, geeft hij daarbij tevens aan onder welke voorschriften en beperkingen en volgens welke procedure naar zijn voorlopig oordeel tot verlenging kan worden overgegaan.
2. Onze Minister geeft belanghebbenden de gelegenheid om binnen een maand hun zienswijze met betrekking tot het voornemen te geven.
3. Na afloop van de periode, bedoeld in het tweede lid, neemt Onze Minister binnen drie maanden een besluit over de verlengbaarheid van de vergunning, de aan de verlenging te verbinden voorschriften en beperkingen en de te volgen procedure. Hij maakt dit besluit in de Staatscourantbekend en stelt de houders van een vergunning in kennis van zijn besluit.
4. De houders van een vergunning delen binnen twee maanden na de kennisgeving, bedoeld in het derde lid, aan Onze Minister mede of zij in aanmerking willen komen voor verlenging van hun vergunning. Indien zij daarvoor in aanmerking willen komen wordt de vergunning verlengd. Van deze verlenging wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
5. Indien een houder van een vergunning geen verlenging van de vergunning wenst, maakt Onze Minister dit in de Staatscourantbekend binnen twee weken na het tijdstip waarop de houder van een vergunning heeft meegedeeld dat hij niet voor verlenging in aanmerking wil komen. Binnen tien weken na het in de eerste volzin bedoelde tijdstip worden bij ministeriële regeling regels gesteld omtrent de indiening en behandeling van aanvragen om een vergunning door anderen dan de houder van een vergunning en omtrent de inhoud van deze aanvragen en de daarbij over te leggen gegevens.
6. De verlenging van een vergunning, bedoeld in het vijfde lid, vindt niet later plaats dan een jaar voor het tijdstip waarop de periode waarvoor de lopende vergunning is verleend, is verstreken.
7. De verlenging dan wel de verlening van een vergunning zal slechts éénmaal voor een periode van ten hoogste vijf jaar geschieden.
8. Met betrekking tot de verlenging van een vergunning is artikel 12van overeenkomstige toepassing.
2. Onze Minister geeft belanghebbenden de gelegenheid om binnen een maand hun zienswijze met betrekking tot het voornemen te geven.
3. Na afloop van de periode, bedoeld in het tweede lid, neemt Onze Minister binnen drie maanden een besluit over de verlengbaarheid van de vergunning, de aan de verlenging te verbinden voorschriften en beperkingen en de te volgen procedure. Hij maakt dit besluit in de Staatscourantbekend en stelt de houders van een vergunning in kennis van zijn besluit.
4. De houders van een vergunning delen binnen twee maanden na de kennisgeving, bedoeld in het derde lid, aan Onze Minister mede of zij in aanmerking willen komen voor verlenging van hun vergunning. Indien zij daarvoor in aanmerking willen komen wordt de vergunning verlengd. Van deze verlenging wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
5. Indien een houder van een vergunning geen verlenging van de vergunning wenst, maakt Onze Minister dit in de Staatscourantbekend binnen twee weken na het tijdstip waarop de houder van een vergunning heeft meegedeeld dat hij niet voor verlenging in aanmerking wil komen. Binnen tien weken na het in de eerste volzin bedoelde tijdstip worden bij ministeriële regeling regels gesteld omtrent de indiening en behandeling van aanvragen om een vergunning door anderen dan de houder van een vergunning en omtrent de inhoud van deze aanvragen en de daarbij over te leggen gegevens.
6. De verlenging van een vergunning, bedoeld in het vijfde lid, vindt niet later plaats dan een jaar voor het tijdstip waarop de periode waarvoor de lopende vergunning is verleend, is verstreken.
7. De verlenging dan wel de verlening van een vergunning zal slechts éénmaal voor een periode van ten hoogste vijf jaar geschieden.
8. Met betrekking tot de verlenging van een vergunning is artikel 12van overeenkomstige toepassing.