BWBR0006294
Geldig vanaf 2001-02-07
Artikel 9
Besluit produktie en handel vers vlees
1. Onze Minister kan inrichtingen erkennen, die voldoen aan het bepaalde bij of krachtens dit besluit.
2. De erkenning geldt niet voor speciale noodslachtingen en het slachten van zieke of van ziekte verdachte dieren, tenzij onze Minister anders heeft bepaald.
3. Wanneer wordt geconstateerd dat de hygiënische voorschriften niet worden nageleefd en wanneer de in bijlage I, hoofdstuk VIII, punt 41F, bedoelde maatregelen onvoldoende zijn gebleken om dit te verhelpen, wordt de erkenning voor het in geding zijnde deel van de activiteit of voor de hele inrichting tijdelijk door Onze Minister opgeschort.
4. Wanneer de exploitant van de inrichting, de eigenaar of diens vertegenwoordiger de geconstateerde gebreken niet binnen de door Onze Minister vastgestelde termijn herstelt, trekt Onze Minister de erkenning voor het in geding zijnde deel van de activiteit of voor de hele inrichting in.
5. Aan de erkenning zijn de volgende voorschriften verbonden:
a. De exploitant van een inrichting, de eigenaar of diens vertegenwoordiger doet regelmatig de algemene hygiëne bij de productie in zijn inrichting controleren door het uitwerken en toepassen van een permanente procedure op basis van de HACCP-beginselen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van beschikking 2001/471/EG;
b. De exploitant van een inrichting, de eigenaar of diens vertegenwoordiger kan voor de procedure, bedoeld in onderdeel a, gebruikmaken van de aanvulling op de hygiënecode voor slachterijen en uitsnijderijen van de Productschappen voor Vee, Vlees en Eieren van 17 mei 2002, met de titel: «Uitvoering van de Beschikking 2001/471/EG voor slachterijen, uitsnijderijen en koel- en vrieshuizen in de roodvleessector (rund, kalf, varken, paard, schaap en geit)»;
c. De exploitant van een slachthuis, de eigenaar of diens vertegenwoordiger doet de in artikel 10, tweede lid, van de richtlijn bedoelde microbiologische controles uitvoeren overeenkomstig de in de bijlage van beschikking 2001/471/EG vastgelegde methode, dan wel overeenkomstig een door Onze Minister en de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij goedgekeurde methode die tenminste gelijkwaardig is aan die in de bijlage van beschikking 2001/471/EG;
d. De exploitant van een uitsnijderij, de eigenaar of diens vertegenwoordiger doet de in artikel 10, tweede lid, van de richtlijn bedoelde microbiologische controles uitvoeren overeenkomstig de in deel 2 van de bijlage van beschikking 2001/471/EG vastgelegde methode, dan wel overeenkomstig een door Onze Minister in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij goedgekeurde methode die tenminste gelijkwaardig is aan die in deel 2 van de bijlage van beschikking 2001/471/EG.
e. De exploitant van de inrichting, de eigenaar of diens vertegenwoordiger is, op verzoek, in staat de hoofdinspecteur, de keuringsdierenarts of de veterinaire deskundigen van de Commissie van de EEG, bedoeld in artikel 12 van de richtlijn in kennis te stellen van aard, frequentie en resultaat van de te dien einde verrichte controles, alsmede, zo nodig, van de naam van het controlelaboratorium;
f. De exploitant van de inrichting, de eigenaar of diens vertegenwoordiger zet een opleidingsprogramma op dat het personeel in staat stelt te voldoen aan de voorschriften inzake hygiënische produktie die zijn aangepast aan de produktiestructuur. De keuringsdierenarts die voor de inrichting verantwoordelijk is, wordt bij het opzetten en de uitvoering van dit programma betrokken;
g. De inrichtingen geven medewerking aan de controles, bedoeld in artikel 12 van de richtlijn.
2. De erkenning geldt niet voor speciale noodslachtingen en het slachten van zieke of van ziekte verdachte dieren, tenzij onze Minister anders heeft bepaald.
3. Wanneer wordt geconstateerd dat de hygiënische voorschriften niet worden nageleefd en wanneer de in bijlage I, hoofdstuk VIII, punt 41F, bedoelde maatregelen onvoldoende zijn gebleken om dit te verhelpen, wordt de erkenning voor het in geding zijnde deel van de activiteit of voor de hele inrichting tijdelijk door Onze Minister opgeschort.
4. Wanneer de exploitant van de inrichting, de eigenaar of diens vertegenwoordiger de geconstateerde gebreken niet binnen de door Onze Minister vastgestelde termijn herstelt, trekt Onze Minister de erkenning voor het in geding zijnde deel van de activiteit of voor de hele inrichting in.
5. Aan de erkenning zijn de volgende voorschriften verbonden:
a. De exploitant van een inrichting, de eigenaar of diens vertegenwoordiger doet regelmatig de algemene hygiëne bij de productie in zijn inrichting controleren door het uitwerken en toepassen van een permanente procedure op basis van de HACCP-beginselen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van beschikking 2001/471/EG;
b. De exploitant van een inrichting, de eigenaar of diens vertegenwoordiger kan voor de procedure, bedoeld in onderdeel a, gebruikmaken van de aanvulling op de hygiënecode voor slachterijen en uitsnijderijen van de Productschappen voor Vee, Vlees en Eieren van 17 mei 2002, met de titel: «Uitvoering van de Beschikking 2001/471/EG voor slachterijen, uitsnijderijen en koel- en vrieshuizen in de roodvleessector (rund, kalf, varken, paard, schaap en geit)»;
c. De exploitant van een slachthuis, de eigenaar of diens vertegenwoordiger doet de in artikel 10, tweede lid, van de richtlijn bedoelde microbiologische controles uitvoeren overeenkomstig de in de bijlage van beschikking 2001/471/EG vastgelegde methode, dan wel overeenkomstig een door Onze Minister en de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij goedgekeurde methode die tenminste gelijkwaardig is aan die in de bijlage van beschikking 2001/471/EG;
d. De exploitant van een uitsnijderij, de eigenaar of diens vertegenwoordiger doet de in artikel 10, tweede lid, van de richtlijn bedoelde microbiologische controles uitvoeren overeenkomstig de in deel 2 van de bijlage van beschikking 2001/471/EG vastgelegde methode, dan wel overeenkomstig een door Onze Minister in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij goedgekeurde methode die tenminste gelijkwaardig is aan die in deel 2 van de bijlage van beschikking 2001/471/EG.
e. De exploitant van de inrichting, de eigenaar of diens vertegenwoordiger is, op verzoek, in staat de hoofdinspecteur, de keuringsdierenarts of de veterinaire deskundigen van de Commissie van de EEG, bedoeld in artikel 12 van de richtlijn in kennis te stellen van aard, frequentie en resultaat van de te dien einde verrichte controles, alsmede, zo nodig, van de naam van het controlelaboratorium;
f. De exploitant van de inrichting, de eigenaar of diens vertegenwoordiger zet een opleidingsprogramma op dat het personeel in staat stelt te voldoen aan de voorschriften inzake hygiënische produktie die zijn aangepast aan de produktiestructuur. De keuringsdierenarts die voor de inrichting verantwoordelijk is, wordt bij het opzetten en de uitvoering van dit programma betrokken;
g. De inrichtingen geven medewerking aan de controles, bedoeld in artikel 12 van de richtlijn.