BWBR0006294
Geldig vanaf 2001-02-07
Artikel 5
Besluit produktie en handel vers vlees
1. Onverminderd artikel 4, ondergaat vers vlees van varkens of paarden als bedoeld in artikel 2, dat niet overeenkomstig bijlage I van richtlijn nr. 77/96/EEGop trichinen is onderzocht, een koudebehandeling overeenkomstig bijlage IV van die richtlijn. Vlees van gekweekte everzwijnen of van andere voor besmetting met trichinen vatbare soorten gekweekt wild wordt onderzocht met behulp van een digestiemethode overeenkomstig richtlijn nr. 77/96/EEG.
2. Vlees
a. van mannelijke varkens bestemd voor de fok;
b. van cryptorchiede en hermafrodiete varkens;
c. van niet-gecastreerde mannelijke varkens met een geslacht gewicht hoger dan 80 kg, tenzij de inrichting op basis van een door Onze Minister goedgekeurde methode kan garanderen dat karkassen met een uitgesproken seksuele geur kunnen worden opgespoord; wordt voorzien van het speciale merk als bedoeld in Beschikking 84/371/EEG en ondergaat een behandeling als bedoeld in richtlijn nr. 77/99/EEG.
3. Voor het bereiden van separatorvlees mag niet worden gebruikt kopbeenderen, poten onder het voorkniegewricht, respectievelijk het spronggewricht, alsmede varkensstaarten. Separatorvlees moet een warmtebehandeling overeenkomstig richtlijn nr. 77/99/EEGondergaan.
4. Vlees van dieren die bij een speciale noodslachting zijn gedood, mag uitsluitend ten behoeve van de plaatselijke markt voor menselijke consumptie geschikt worden verklaard en slechts indien aan de onderstaande voorwaarden is voldaan:
- voor het bedrijf van oorsprong mogen geen veterinairrechtelijke beperkingen gelden;
- het dier wordt vóór het doden onderworpen aan een keuring voor het slachten door een dierenarts overeenkomstig artikel 2, eerste lid, onder A, punt b;
- het dier moet na bedwelming gedood, uitgebloed en eventueel ter plaatse van de ingewanden ontdaan zijn; de dierenarts mag in bijzondere gevallen afzien van bedwelming en doden door middel van de kogel toestaan;
- het gedode en uitgebloede dier wordt onder bevredigende hygiënische omstandigheden vervoerd naar een overeenkomstig artikel 9, tweede lid, erkende slachtplaats en zulks zo spoedig mogelijk na het doden. Wanneer het gedode dier niet binnen één uur naar dit slachthuis kan worden gebracht, moet het worden vervoerd in een container of vervoermiddel waarin een temperatuur heerst tussen 0°C en 4°C. Het verwijderen van de ingewanden - indien dat niet meteen bij het doden is gebeurd - vindt ten laatste drie uur daarna plaats. Indien de ingewanden ter plaatse worden verwijderd, blijven zij tot in het slachthuis duidelijk geïdentificeerd bij het karkas;
- het gedode dier gaat bij het vervoer naar het slachthuis vergezeld van een verklaring van de dierenarts die opdracht heeft gegeven tot het doden, ter vermelding van het resultaat van de keuring voor het slachten, het tijdstip van het doden en de aard van de eventuele aan het dier toegediende behandeling en, eventueel, het resultaat van de keuring van de ingewanden; deze verklaring stemt overeen met een door Onze Minister vastgesteld model;
- het karkas van het gedode dier wordt, zolang het niet geheel of gedeeltelijk geschikt bevonden voor menselijke consumptie kan worden beschouwd op basis van de keuring na het slachten overeenkomstig artikel 2, eerste lid, onder A, punt d, eventueel aangevuld met een bacteriologisch onderzoek, zodanig gehanteerd dat het niet in contact komt met karkassen, vlees en slachtafvallen die geschikt zijn bevonden voor menselijke consumptie.
5. Vlees afkomstig uit een zone waarvoor veterinairrechtelijke beperkingen gelden, wordt onderworpen aan door Onze Minister, in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, vastgestelde voorschriften.
6. De in de vorige leden bedoelde behandelingen worden uitgevoerd in de inrichting van oorsprong of in een andere door de keuringsdierenarts aangewezen inrichting.
7. Vlees als bedoeld in het vierde lid en geschikt bevonden voor menselijke consumptie wordt voorzien van het in artikel 10, vierde lid, bedoelde stempel.
2. Vlees
a. van mannelijke varkens bestemd voor de fok;
b. van cryptorchiede en hermafrodiete varkens;
c. van niet-gecastreerde mannelijke varkens met een geslacht gewicht hoger dan 80 kg, tenzij de inrichting op basis van een door Onze Minister goedgekeurde methode kan garanderen dat karkassen met een uitgesproken seksuele geur kunnen worden opgespoord; wordt voorzien van het speciale merk als bedoeld in Beschikking 84/371/EEG en ondergaat een behandeling als bedoeld in richtlijn nr. 77/99/EEG.
3. Voor het bereiden van separatorvlees mag niet worden gebruikt kopbeenderen, poten onder het voorkniegewricht, respectievelijk het spronggewricht, alsmede varkensstaarten. Separatorvlees moet een warmtebehandeling overeenkomstig richtlijn nr. 77/99/EEGondergaan.
4. Vlees van dieren die bij een speciale noodslachting zijn gedood, mag uitsluitend ten behoeve van de plaatselijke markt voor menselijke consumptie geschikt worden verklaard en slechts indien aan de onderstaande voorwaarden is voldaan:
- voor het bedrijf van oorsprong mogen geen veterinairrechtelijke beperkingen gelden;
- het dier wordt vóór het doden onderworpen aan een keuring voor het slachten door een dierenarts overeenkomstig artikel 2, eerste lid, onder A, punt b;
- het dier moet na bedwelming gedood, uitgebloed en eventueel ter plaatse van de ingewanden ontdaan zijn; de dierenarts mag in bijzondere gevallen afzien van bedwelming en doden door middel van de kogel toestaan;
- het gedode en uitgebloede dier wordt onder bevredigende hygiënische omstandigheden vervoerd naar een overeenkomstig artikel 9, tweede lid, erkende slachtplaats en zulks zo spoedig mogelijk na het doden. Wanneer het gedode dier niet binnen één uur naar dit slachthuis kan worden gebracht, moet het worden vervoerd in een container of vervoermiddel waarin een temperatuur heerst tussen 0°C en 4°C. Het verwijderen van de ingewanden - indien dat niet meteen bij het doden is gebeurd - vindt ten laatste drie uur daarna plaats. Indien de ingewanden ter plaatse worden verwijderd, blijven zij tot in het slachthuis duidelijk geïdentificeerd bij het karkas;
- het gedode dier gaat bij het vervoer naar het slachthuis vergezeld van een verklaring van de dierenarts die opdracht heeft gegeven tot het doden, ter vermelding van het resultaat van de keuring voor het slachten, het tijdstip van het doden en de aard van de eventuele aan het dier toegediende behandeling en, eventueel, het resultaat van de keuring van de ingewanden; deze verklaring stemt overeen met een door Onze Minister vastgesteld model;
- het karkas van het gedode dier wordt, zolang het niet geheel of gedeeltelijk geschikt bevonden voor menselijke consumptie kan worden beschouwd op basis van de keuring na het slachten overeenkomstig artikel 2, eerste lid, onder A, punt d, eventueel aangevuld met een bacteriologisch onderzoek, zodanig gehanteerd dat het niet in contact komt met karkassen, vlees en slachtafvallen die geschikt zijn bevonden voor menselijke consumptie.
5. Vlees afkomstig uit een zone waarvoor veterinairrechtelijke beperkingen gelden, wordt onderworpen aan door Onze Minister, in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, vastgestelde voorschriften.
6. De in de vorige leden bedoelde behandelingen worden uitgevoerd in de inrichting van oorsprong of in een andere door de keuringsdierenarts aangewezen inrichting.
7. Vlees als bedoeld in het vierde lid en geschikt bevonden voor menselijke consumptie wordt voorzien van het in artikel 10, vierde lid, bedoelde stempel.