BWBR0005997
Geldig vanaf 1993-06-01
Artikel 5
Regeling invoer, uitvoer en verkeer van planten
1. Het is verboden planten, plantaardige produkten of andere materialen genoemd in bijlage III, deel B, bij richtlijn 2000/29/EGin de daarbij in die bijlage genoemde beschermde gebieden te brengen, indien deze van oorsprong zijn uit de daarbij genoemde landen.
2. Onverminderd de eisen, genoemd in artikel 4worden in beschermde gebieden uitsluitend die planten, plantaardige producten of andere materialen in het verkeer gebracht die:
a. vrij zijn van schadelijke organisme, genoemd in bijlage I, deel B, bij richtlijn nr. 2000/29/EG;
b. vrij zijn van schadelijke organismen, genoemd in bijlage II, deel B bij richtlijn nr. 2000/29/EG;
c. voldoen aan de eisen genoemd, in bijlage IV, deel B, bij richtlijn nr. 2000/29/EG.
3. Op de planten, plantaardige producten of andere materialen, genoemd in bijlage V, deel A, bij richtlijn nr. 2000/29/EG, en zaad, genoemd in bijlage IV bij richtlijn nr. 2000/29/EG, die beroepshalve in het verkeer worden gebracht in een beschermd gebied, dan wel op de verpakkingen waarin of de vervoermiddelen waarmee zij worden vervoerd, is een plantenpaspoort aangebracht.
4. In afwijking van het derde lid kunnen planten, plantaardige produkten of andere materialen via een beschermd gebied naar een eindbestemming buiten dat gebied worden vervoerd zonder een plantenpaspoort voor het betreffende beschermde gebied, indien is voldaan aan de volgende vereisten:
a. de gebruikte verpakking, dan wel het voertuig waarin deze planten, plantaardige produkten of andere materialen worden vervoerd, moet schoon zijn en vrij van schadelijke organismen, genoemd bij het betreffende beschermde gebied in richtlijn 92/76/EEG, en moet van zodanige aard zijn dat er geen gevaar bestaat voor verspreiding van deze schadelijke organismen;
b. zodra deze planten, plantaardige produkten of andere materialen zijn verpakt, moet de verpakking, dan wel het voertuig waarin zij worden vervoerd, overeenkomstig strenge fytosanitaire normen en ten genoegen van de Minister zo worden gesloten en tijdens het vervoer door het betrokken beschermd gebied gesloten blijven, dat er geen gevaar bestaat voor de verspreiding van schadelijke organismen in het betrokken beschermde gebied en dat hun identiteit gegarandeerd is en
c. de planten, plantaardige produkten of andere materialen moeten vergezeld gaan van een in het handelsverkeer normaal gebruikt document waarin is aangegeven dat de produkten niet van oorsprong zijn uit het betrokken beschermde gebied en een bestemming hebben buiten dat beschermde gebied.
2. Onverminderd de eisen, genoemd in artikel 4worden in beschermde gebieden uitsluitend die planten, plantaardige producten of andere materialen in het verkeer gebracht die:
a. vrij zijn van schadelijke organisme, genoemd in bijlage I, deel B, bij richtlijn nr. 2000/29/EG;
b. vrij zijn van schadelijke organismen, genoemd in bijlage II, deel B bij richtlijn nr. 2000/29/EG;
c. voldoen aan de eisen genoemd, in bijlage IV, deel B, bij richtlijn nr. 2000/29/EG.
3. Op de planten, plantaardige producten of andere materialen, genoemd in bijlage V, deel A, bij richtlijn nr. 2000/29/EG, en zaad, genoemd in bijlage IV bij richtlijn nr. 2000/29/EG, die beroepshalve in het verkeer worden gebracht in een beschermd gebied, dan wel op de verpakkingen waarin of de vervoermiddelen waarmee zij worden vervoerd, is een plantenpaspoort aangebracht.
4. In afwijking van het derde lid kunnen planten, plantaardige produkten of andere materialen via een beschermd gebied naar een eindbestemming buiten dat gebied worden vervoerd zonder een plantenpaspoort voor het betreffende beschermde gebied, indien is voldaan aan de volgende vereisten:
a. de gebruikte verpakking, dan wel het voertuig waarin deze planten, plantaardige produkten of andere materialen worden vervoerd, moet schoon zijn en vrij van schadelijke organismen, genoemd bij het betreffende beschermde gebied in richtlijn 92/76/EEG, en moet van zodanige aard zijn dat er geen gevaar bestaat voor verspreiding van deze schadelijke organismen;
b. zodra deze planten, plantaardige produkten of andere materialen zijn verpakt, moet de verpakking, dan wel het voertuig waarin zij worden vervoerd, overeenkomstig strenge fytosanitaire normen en ten genoegen van de Minister zo worden gesloten en tijdens het vervoer door het betrokken beschermd gebied gesloten blijven, dat er geen gevaar bestaat voor de verspreiding van schadelijke organismen in het betrokken beschermde gebied en dat hun identiteit gegarandeerd is en
c. de planten, plantaardige produkten of andere materialen moeten vergezeld gaan van een in het handelsverkeer normaal gebruikt document waarin is aangegeven dat de produkten niet van oorsprong zijn uit het betrokken beschermde gebied en een bestemming hebben buiten dat beschermde gebied.