BWBR0005946
Geldig vanaf 2015-08-01
Artikel 37
Inrichtingsbesluit WVO
1. De inspectie hanteert voor zover van toepassing de volgende indicatoren voor de beoordeling van de leerresultaten:
a. het percentage leerlingen met een onvertraagde studievoortgang in de eerste twee leerjaren;
b. het percentage leerlingen met een onvertraagde studievoortgang in de overige leerjaren;
c. het niveau dat de leerling in het derde leerjaar daadwerkelijk heeft bereikt ten opzichte van het niveau dat de leerling gelet op het schooladvies, bedoeld in artikel 42, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs, naar verwachting in het derde leerjaar zou bereiken; en
d. het gemiddelde cijfer van het centraal examen.
2. De indicatoren worden onderscheiden naar de in artikel 23a1, eerste lid, van de wetgenoemde schoolsoorten en leerwegen.
3. Bij de bepaling van de leerresultaten, bedoeld in het eerste lid , onder a tot en met d, kan rekening worden gehouden met groepskenmerken en individuele kenmerken van leerlingen, met dien verstande dat in elk geval rekening wordt gehouden met de sociaal-economische situatie van de leerlingen.
4. De scores waarop het oordeel over de in het eerste lid, onder a tot en met d, bedoelde indicatoren wordt gebaseerd, kunnen wegens bijzondere omstandigheden worden gecorrigeerd.
a. het percentage leerlingen met een onvertraagde studievoortgang in de eerste twee leerjaren;
b. het percentage leerlingen met een onvertraagde studievoortgang in de overige leerjaren;
c. het niveau dat de leerling in het derde leerjaar daadwerkelijk heeft bereikt ten opzichte van het niveau dat de leerling gelet op het schooladvies, bedoeld in artikel 42, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs, naar verwachting in het derde leerjaar zou bereiken; en
d. het gemiddelde cijfer van het centraal examen.
2. De indicatoren worden onderscheiden naar de in artikel 23a1, eerste lid, van de wetgenoemde schoolsoorten en leerwegen.
3. Bij de bepaling van de leerresultaten, bedoeld in het eerste lid , onder a tot en met d, kan rekening worden gehouden met groepskenmerken en individuele kenmerken van leerlingen, met dien verstande dat in elk geval rekening wordt gehouden met de sociaal-economische situatie van de leerlingen.
4. De scores waarop het oordeel over de in het eerste lid, onder a tot en met d, bedoelde indicatoren wordt gebaseerd, kunnen wegens bijzondere omstandigheden worden gecorrigeerd.