BWBR0005946
Geldig vanaf 2015-08-01
Artikel 16
Inrichtingsbesluit WVO
1. Het aantal dagen dat per schooljaar ten hoogste voor vakanties op grond van artikel 6g1, derde lid, van de wet, mag worden besteed, bedraagt 66 bij een zesdaagse schoolweek en 55 bij een vijfdaagse schoolweek.
2. Indien na aftrek van het aantal dagen dat wordt besteed voor vakanties die centraal worden vastgesteld op grond van artikel 6g1, vierde lid, van de wet, dagen resteren van de in het eerste lid bedoelde aantallen, kan het bevoegd gezag voor het betreffende schooljaar een of meer vakanties vaststellen waarvoor ten hoogste dat resterend aantal dagen mag worden besteed.
3. Onder dagen in het eerste lid wordt verstaan elke dag van de week met uitzondering van de zondag bij een zesdaagse schoolweek en met uitzondering van de zaterdag en de zondag bij een vijfdaagse schoolweek. Op die zondagen respectievelijk zaterdagen en zondagen wordt geen onderwijs verzorgd.
4. Tenzij vallend binnen een op grond van het tweede lid of op grond van artikel 6g1, vierde lid, van de wetvastgestelde vakantie, worden de volgende dagen, waarop eveneens geen onderwijs wordt verzorgd, niet meegeteld bij het aantal dagen, bedoeld in het eerste lid:
a. nieuwjaarsdag, tweede paasdag, Hemelvaartsdag, tweede pinksterdag en de beide kerstdagen, alsmede
b. Koningsdag en Bevrijdingsdag.
5. Indien aan een bijzondere school onderwijs wordt gegeven gebaseerd op een levensbeschouwing volgens welke andere dan de in het vierde lid, onderdeel a, genoemde dagen als feestdagen worden aangemerkt, kan in plaats van op de dagen, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, die vallen buiten een op grond van het tweede lid of op grond van artikel 6g1, vierde lid, van de wetvastgestelde vakantie, geen onderwijs worden verzorgd op andere dagen. Bij toepassing van de eerste volzin worden laatstgenoemde dagen niet meegeteld bij het aantal dagen, bedoeld in het eerste lid. De eerste volzin kan per schooljaar worden toegepast voor ten hoogste het aantal dagen als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, dat buiten een op grond van het tweede lid of op grond van artikel 6g1, vierde lid, van de wet vastgestelde vakantie valt.
2. Indien na aftrek van het aantal dagen dat wordt besteed voor vakanties die centraal worden vastgesteld op grond van artikel 6g1, vierde lid, van de wet, dagen resteren van de in het eerste lid bedoelde aantallen, kan het bevoegd gezag voor het betreffende schooljaar een of meer vakanties vaststellen waarvoor ten hoogste dat resterend aantal dagen mag worden besteed.
3. Onder dagen in het eerste lid wordt verstaan elke dag van de week met uitzondering van de zondag bij een zesdaagse schoolweek en met uitzondering van de zaterdag en de zondag bij een vijfdaagse schoolweek. Op die zondagen respectievelijk zaterdagen en zondagen wordt geen onderwijs verzorgd.
4. Tenzij vallend binnen een op grond van het tweede lid of op grond van artikel 6g1, vierde lid, van de wetvastgestelde vakantie, worden de volgende dagen, waarop eveneens geen onderwijs wordt verzorgd, niet meegeteld bij het aantal dagen, bedoeld in het eerste lid:
a. nieuwjaarsdag, tweede paasdag, Hemelvaartsdag, tweede pinksterdag en de beide kerstdagen, alsmede
b. Koningsdag en Bevrijdingsdag.
5. Indien aan een bijzondere school onderwijs wordt gegeven gebaseerd op een levensbeschouwing volgens welke andere dan de in het vierde lid, onderdeel a, genoemde dagen als feestdagen worden aangemerkt, kan in plaats van op de dagen, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, die vallen buiten een op grond van het tweede lid of op grond van artikel 6g1, vierde lid, van de wetvastgestelde vakantie, geen onderwijs worden verzorgd op andere dagen. Bij toepassing van de eerste volzin worden laatstgenoemde dagen niet meegeteld bij het aantal dagen, bedoeld in het eerste lid. De eerste volzin kan per schooljaar worden toegepast voor ten hoogste het aantal dagen als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, dat buiten een op grond van het tweede lid of op grond van artikel 6g1, vierde lid, van de wet vastgestelde vakantie valt.