BWBR0005946
Geldig vanaf 2015-08-01
Artikel 15d
Inrichtingsbesluit WVO
1. Een samenwerkingsverband baseert de beslissing op de aanvraag, bedoeld in artikel 10e, vierde lid, en 10g, tweede lid, van de wet, uitsluitend op:
a. de door het bevoegd gezag gegeven motivering die gebaseerd is op ervaringen met de leerling in het onderwijsleerproces, zoals die onder meer blijken uit het onderwijskundig rapport, bedoeld in artikel 42 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 43 van de Wet op de expertisecentra,
b. de leerachterstand van de leerling,
c. het intelligentiequotiënt van de leerling, en
d. indien dat noodzakelijk is voor het vormen van een oordeel, de resultaten van een of meer persoonlijkheidsonderzoeken met betrekking tot prestatiemotivatie, faalangst en emotionele instabiliteit die een beeld geven van de sociaal-emotionele problematiek van de leerling in relatie tot de leerprestaties, en
e. indien het een aanvraag voor toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs betreft: de zienswijze van de ouders.
2. Bij de beslissing op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, controleert het samenwerkingsverband of het bevoegd gezag voor de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met d, de jaarlijks voor 1 oktober bij ministeriële regeling vastgestelde screenings- of testinstrumenten, heeft gebruikt. De testinstrumenten voor de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, worden toegepast onder verantwoordelijkheid van een diagnostisch geschoold psycholoog of diagnostisch geschoold orthopedagoog.
3. De leerachterstand van de leerling is de uitkomst van 1 minus (DLE/DL), waarin:
a. DLE de afkorting is van didactische leeftijdseenheden en het aantal maanden onderwijs dat behoort bij het niveau dat de leerling feitelijk heeft bereikt, en
b. DL de afkorting is van didactische leeftijd en het aantal maanden dat een leerling vanaf groep 3 in de perioden van september tot en met juni was ingeschreven bij een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs of een school voor speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra.
4. Het samenwerkingsverband wijst de aanvraag voor praktijkonderwijs uitsluitend toe, indien de leerling:
a. een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte van 55 tot en met 80, en
b. een leerachterstand heeft op ten minste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste één van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand gelijk is aan of groter is dan 0,5.
5. Het samenwerkingsverband wijst de aanvraag voor leerwegondersteunend onderwijs uitsluitend toe, indien de leerling:
a. 1° een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte 75 tot en met 90, en
2° een leerachterstand heeft op ten minste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste één van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand is gelegen binnen de bandbreedte van 0,25 tot 0,5, of
1° een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte 75 tot en met 90, en
2° een leerachterstand heeft op ten minste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste één van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand is gelegen binnen de bandbreedte van 0,25 tot 0,5, of
b. 1° een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte 91 tot en met 120, en
2° een leerachterstand heeft op tenminste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste één van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand is gelegen binnen de bandbreedte van 0,25 tot 0,5, en
3° een sociaal-emotionele problematiek heeft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d.
1° een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte 91 tot en met 120, en
2° een leerachterstand heeft op tenminste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste één van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand is gelegen binnen de bandbreedte van 0,25 tot 0,5, en
3° een sociaal-emotionele problematiek heeft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d.
6. Voor een leerling die wat intelligentiequotiënt of leerachterstand betreft, voldoet aan de vereisten voor toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs en die wat de overige vereisten betreft voldoet aan de vereisten om aangewezen te zijn op het leerwegondersteunend onderwijs, kan een leerling toelaatbaar worden verklaard tot praktijkonderwijs of aangewezen worden op het leerwegondersteunend onderwijs, afhankelijk van de door het bevoegd gezag gegeven motivering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
a. de door het bevoegd gezag gegeven motivering die gebaseerd is op ervaringen met de leerling in het onderwijsleerproces, zoals die onder meer blijken uit het onderwijskundig rapport, bedoeld in artikel 42 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 43 van de Wet op de expertisecentra,
b. de leerachterstand van de leerling,
c. het intelligentiequotiënt van de leerling, en
d. indien dat noodzakelijk is voor het vormen van een oordeel, de resultaten van een of meer persoonlijkheidsonderzoeken met betrekking tot prestatiemotivatie, faalangst en emotionele instabiliteit die een beeld geven van de sociaal-emotionele problematiek van de leerling in relatie tot de leerprestaties, en
e. indien het een aanvraag voor toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs betreft: de zienswijze van de ouders.
2. Bij de beslissing op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, controleert het samenwerkingsverband of het bevoegd gezag voor de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met d, de jaarlijks voor 1 oktober bij ministeriële regeling vastgestelde screenings- of testinstrumenten, heeft gebruikt. De testinstrumenten voor de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, worden toegepast onder verantwoordelijkheid van een diagnostisch geschoold psycholoog of diagnostisch geschoold orthopedagoog.
3. De leerachterstand van de leerling is de uitkomst van 1 minus (DLE/DL), waarin:
a. DLE de afkorting is van didactische leeftijdseenheden en het aantal maanden onderwijs dat behoort bij het niveau dat de leerling feitelijk heeft bereikt, en
b. DL de afkorting is van didactische leeftijd en het aantal maanden dat een leerling vanaf groep 3 in de perioden van september tot en met juni was ingeschreven bij een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs of een school voor speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra.
4. Het samenwerkingsverband wijst de aanvraag voor praktijkonderwijs uitsluitend toe, indien de leerling:
a. een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte van 55 tot en met 80, en
b. een leerachterstand heeft op ten minste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste één van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand gelijk is aan of groter is dan 0,5.
5. Het samenwerkingsverband wijst de aanvraag voor leerwegondersteunend onderwijs uitsluitend toe, indien de leerling:
a. 1° een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte 75 tot en met 90, en
2° een leerachterstand heeft op ten minste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste één van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand is gelegen binnen de bandbreedte van 0,25 tot 0,5, of
1° een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte 75 tot en met 90, en
2° een leerachterstand heeft op ten minste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste één van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand is gelegen binnen de bandbreedte van 0,25 tot 0,5, of
b. 1° een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte 91 tot en met 120, en
2° een leerachterstand heeft op tenminste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste één van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand is gelegen binnen de bandbreedte van 0,25 tot 0,5, en
3° een sociaal-emotionele problematiek heeft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d.
1° een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte 91 tot en met 120, en
2° een leerachterstand heeft op tenminste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste één van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand is gelegen binnen de bandbreedte van 0,25 tot 0,5, en
3° een sociaal-emotionele problematiek heeft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d.
6. Voor een leerling die wat intelligentiequotiënt of leerachterstand betreft, voldoet aan de vereisten voor toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs en die wat de overige vereisten betreft voldoet aan de vereisten om aangewezen te zijn op het leerwegondersteunend onderwijs, kan een leerling toelaatbaar worden verklaard tot praktijkonderwijs of aangewezen worden op het leerwegondersteunend onderwijs, afhankelijk van de door het bevoegd gezag gegeven motivering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.