BWBR0005662
Geldig vanaf 2010-03-25
Artikel 98
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat dieren die aan te wijzen schadelijke stoffen hebben opgenomen of waarvan wordt vermoed dat zij die stoffen hebben opgenomen, totdat het tegendeel is gebleken, danwel totdat van overheidswege is vastgesteld dat het dier weer vrij is van deze stoffen, op het bedrijf waar zij worden gehouden worden opgestald of opgehokt danwel slechts met toestemming van Onze Minister het bedrijf mogen verlaten.
2. Bij ministeriële regeling kan ter voorkoming van de opname van aan te wijzen schadelijke stoffen door dieren worden bepaald dat dieren op het bedrijf waar zij worden gehouden worden opgestald of opgehokt danwel slechts met toestemming van Onze Minister het bedrijf mogen verlaten.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde aanwijzing van schadelijke stoffen geschiedt door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
4. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de in het eerste en tweede lid bedoelde dieren op door hem voorgeschreven wijze worden gemerkt, gevoederd of gedrenkt en dat de van die dieren afkomstige producten, voorzover aanwezig op het bedrijf waar de dieren worden gehouden, slechts met toestemming van Onze Minister het bedrijf mogen verlaten.
5. De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en vierde lid, kan onder beperkingen worden verleend en aan een toestemming kunnen voorschriften worden verbonden.
2. Bij ministeriële regeling kan ter voorkoming van de opname van aan te wijzen schadelijke stoffen door dieren worden bepaald dat dieren op het bedrijf waar zij worden gehouden worden opgestald of opgehokt danwel slechts met toestemming van Onze Minister het bedrijf mogen verlaten.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde aanwijzing van schadelijke stoffen geschiedt door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
4. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de in het eerste en tweede lid bedoelde dieren op door hem voorgeschreven wijze worden gemerkt, gevoederd of gedrenkt en dat de van die dieren afkomstige producten, voorzover aanwezig op het bedrijf waar de dieren worden gehouden, slechts met toestemming van Onze Minister het bedrijf mogen verlaten.
5. De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en vierde lid, kan onder beperkingen worden verleend en aan een toestemming kunnen voorschriften worden verbonden.