BWBR0005662
Geldig vanaf 2010-03-25
Artikel 49
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
1. Onze Minister kan een toelating intrekken, indien ter zake daarvan:
a. bij de aanvraag zodanig onjuiste gegevens zijn verstrekt dat, indien deze ten tijde van de toelating bekend zouden zijn geweest, de aanvraag zou zijn afgewezen;
b. blijkt dat zich zodanig schadelijke effecten voordoen dat, indien deze ten tijde van de toelating bekend zouden zijn geweest, de aanvraag zou zijn afgewezen;
c. een ander huisvestingssysteem is toegelaten dat uit een oogpunt van welzijn van dieren de voorkeur heeft en waarvan overigens het gebruik redelijkerwijs kan worden gevergd.
2. Onze Minister kan bepalen dat een huisvestingssysteem waarvan de toelating ingevolge het eerste lid is ingetrokken, nog gedurende een daarbij vast te stellen termijn voorhanden mag worden gehouden, ten verkoop in voorraad mag worden gehouden, mag worden verkocht, mag worden afgeleverd of mag worden gebruikt. Deze termijn kan verschillen naar gelang de in de eerste volzin genoemde handeling.
a. bij de aanvraag zodanig onjuiste gegevens zijn verstrekt dat, indien deze ten tijde van de toelating bekend zouden zijn geweest, de aanvraag zou zijn afgewezen;
b. blijkt dat zich zodanig schadelijke effecten voordoen dat, indien deze ten tijde van de toelating bekend zouden zijn geweest, de aanvraag zou zijn afgewezen;
c. een ander huisvestingssysteem is toegelaten dat uit een oogpunt van welzijn van dieren de voorkeur heeft en waarvan overigens het gebruik redelijkerwijs kan worden gevergd.
2. Onze Minister kan bepalen dat een huisvestingssysteem waarvan de toelating ingevolge het eerste lid is ingetrokken, nog gedurende een daarbij vast te stellen termijn voorhanden mag worden gehouden, ten verkoop in voorraad mag worden gehouden, mag worden verkocht, mag worden afgeleverd of mag worden gebruikt. Deze termijn kan verschillen naar gelang de in de eerste volzin genoemde handeling.