BWBR0005545
Geldig vanaf 2005-03-21
Artikel 20g
Regeling benoemingseisen examencommissieleden
Tot lid van de commissie voor het praktisch deel van het module-examen, bedoeld in artikel 2, van het Examenreglement instructeur 1993, kan worden benoemd degene die ten minste drie jaar ervaring heeft in het geven van instructie, waarbij de laatste instructie binnen de afgelopen drie jaar heeft plaats gevonden, en binnen drie jaar voorafgaand aan de benoeming ten minste één keer in de te examineren module les gegeven heeft, en:
a. beschikt over ten minste het diploma brandmeester, bedoeld in artikel 5 van het Examenreglement brandmeester, of een daaraan gelijkwaardig diploma, in combinatie met het certificaat van de keuzemodule opleiding, oefening en voorlichting, bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van het Examenreglement brandmeester en is aangesteld in ten minste de rang van brandmeester, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van het Besluit brandweerpersoneel, of, waar het een persoon aangesteld bij een bedrijfsbrandweer betreft, in een daaraan gelijkwaardige rang; of
b. 1º. beschikt over een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een opleiding die is verbonden aan een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.2, onderdelen a en b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of een overeenkomstig getuigschrift, dat respectievelijk is verkregen, of op grond van artikel 16.2, eerste lid, van voornoemde wet kan worden geacht te zijn verkregen, op grond van voornoemde wet; of
2º. beschikt over een getuigschrift of diploma van een met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een andere opleiding, dat naar het oordeel van het bestuur vergelijkbaar is met een getuigschrift als bedoeld onder 1°.
1º. beschikt over een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een opleiding die is verbonden aan een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.2, onderdelen a en b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of een overeenkomstig getuigschrift, dat respectievelijk is verkregen, of op grond van artikel 16.2, eerste lid, van voornoemde wet kan worden geacht te zijn verkregen, op grond van voornoemde wet; of
2º. beschikt over een getuigschrift of diploma van een met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een andere opleiding, dat naar het oordeel van het bestuur vergelijkbaar is met een getuigschrift als bedoeld onder 1°.
a. beschikt over ten minste het diploma brandmeester, bedoeld in artikel 5 van het Examenreglement brandmeester, of een daaraan gelijkwaardig diploma, in combinatie met het certificaat van de keuzemodule opleiding, oefening en voorlichting, bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van het Examenreglement brandmeester en is aangesteld in ten minste de rang van brandmeester, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van het Besluit brandweerpersoneel, of, waar het een persoon aangesteld bij een bedrijfsbrandweer betreft, in een daaraan gelijkwaardige rang; of
b. 1º. beschikt over een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een opleiding die is verbonden aan een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.2, onderdelen a en b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of een overeenkomstig getuigschrift, dat respectievelijk is verkregen, of op grond van artikel 16.2, eerste lid, van voornoemde wet kan worden geacht te zijn verkregen, op grond van voornoemde wet; of
2º. beschikt over een getuigschrift of diploma van een met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een andere opleiding, dat naar het oordeel van het bestuur vergelijkbaar is met een getuigschrift als bedoeld onder 1°.
1º. beschikt over een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een opleiding die is verbonden aan een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.2, onderdelen a en b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of een overeenkomstig getuigschrift, dat respectievelijk is verkregen, of op grond van artikel 16.2, eerste lid, van voornoemde wet kan worden geacht te zijn verkregen, op grond van voornoemde wet; of
2º. beschikt over een getuigschrift of diploma van een met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een andere opleiding, dat naar het oordeel van het bestuur vergelijkbaar is met een getuigschrift als bedoeld onder 1°.