BWBR0005291
Geldig vanaf 1992-01-01
Artikel 86b
Burgerlijk Wetboek Boek 3
1. Artikel 86kan niet worden tegengeworpen aan een verdragsstaat van de op 14 november 1970 te Parijs tot stand gekomen Overeenkomst inzake de middelen om de onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van culturele goederen te verbieden en te verhinderen, noch aan de rechthebbende, indien zij op grond van <a href="/wet/BWBR0037521/artikel/6.7" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6.7 van de Erfgoedwet</a>een rechtsvordering als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001827/artikel/1011a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1011a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering</a>tot teruggave van een roerende zaak als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001827/artikel/1011a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">dat artikel</a>instellen.
2. De rechter die een vordering als bedoeld in het voorgaande lid toewijst, kent aan de bezitter een naar gelang van de omstandigheden vast te stellen billijke vergoeding toe, indien deze bij de verkrijging van de zaak de nodige zorgvuldigheid heeft betracht, tenzij opeising zonder vergoeding bij toepasselijkheid van artikel 86 lid 3mogelijk zou zijn geweest.
3. De vergoeding omvat in elk geval hetgeen aan de bezitter verschuldigd is krachtens de artikelen 120en 121. Zij wordt bij afgifte van de zaak uitgekeerd.
2. De rechter die een vordering als bedoeld in het voorgaande lid toewijst, kent aan de bezitter een naar gelang van de omstandigheden vast te stellen billijke vergoeding toe, indien deze bij de verkrijging van de zaak de nodige zorgvuldigheid heeft betracht, tenzij opeising zonder vergoeding bij toepasselijkheid van artikel 86 lid 3mogelijk zou zijn geweest.
3. De vergoeding omvat in elk geval hetgeen aan de bezitter verschuldigd is krachtens de artikelen 120en 121. Zij wordt bij afgifte van de zaak uitgekeerd.