BWBR0004941
Geldig vanaf 1991-01-01
Artikel 16
Regeling open rondvaartboten
1. In aanvulling op artikel 43 van het Binnenschepenbesluitzijn bij het onderzoek van bestaande schepen de artikelen 7en 10, tweede en derde lid, van deze regeling niet van toepassing gedurende vijf jaren vanaf de datum van het eerste onderzoek.
2. In aanvulling op artikel 42 van het Binnenschepenbesluitzijn de artikelen 4, 11, tweede lid, tweede zin, en 12van deze regeling niet van toepassing bij het onderzoek van bestaande schepen, mits voorzieningen zijn getroffen, die naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal voldoende waarborg bieden voor de veiligheid van het schip en de opvarenden, dan wel naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal in overeenstemming met het bevoegde districtshoofd van de arbeidsinspectie voldoende waarborg bieden voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid aan boord.
3. Indien op bestaande schepen niet aan de eisen van artikel 9wordt voldaan, kan de inspecteur-generaal een afwijking daarvan toestaan onder beperking van het ten hoogste toegestane aantal passagiers op het schip ofwel in de betrokken ruimte, mits voorzieningen zijn getroffen die naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal voldoende waarborg bieden voor de veiligheid van het schip en de opvarenden.
4. Op bestaande schepen moeten de aantallen reddingmiddelen zoals voorgeschreven in artikel 13binnen één jaar na de datum van het eerste onderzoek bedoeld in artikel 32 van het Binnenschepenbesluitaan boord aanwezig zijn. Aan de regelen betreffende de uitvoering en eigenschappen van de reddingmiddelen behoeft op bestaande schepen alleen te worden voldaan bij eerste aanschaf of bij aanvulling of vernieuwing van de oorspronkelijk aan boord zijnde reddingmiddelen.
5. De artikelen opgenomen in kolom 2 van artikel 11.02 van bijlage III van het Binnenschepenbesluitzijn, in aanvulling op artikel 42, tweede lid, van het Binnenschepenbesluitniet van toepassing bij het onderzoek van bestaande rondvaartboten bij gebruik op bepaalde binnenwateren van de zone 4, overeenkomstig de artikelen 5, tweede lid, en 9van deze regeling, met dien verstande dat naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal geen reden tot twijfel bestaat aan de veiligheid van de opvarenden en aan de stabiliteit van het beladen schip, en dat de omstandigheden die op grond van eerdere lokale verordeningen zijn aanvaard, overeenkomstig van toepassing zijn.
2. In aanvulling op artikel 42 van het Binnenschepenbesluitzijn de artikelen 4, 11, tweede lid, tweede zin, en 12van deze regeling niet van toepassing bij het onderzoek van bestaande schepen, mits voorzieningen zijn getroffen, die naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal voldoende waarborg bieden voor de veiligheid van het schip en de opvarenden, dan wel naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal in overeenstemming met het bevoegde districtshoofd van de arbeidsinspectie voldoende waarborg bieden voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid aan boord.
3. Indien op bestaande schepen niet aan de eisen van artikel 9wordt voldaan, kan de inspecteur-generaal een afwijking daarvan toestaan onder beperking van het ten hoogste toegestane aantal passagiers op het schip ofwel in de betrokken ruimte, mits voorzieningen zijn getroffen die naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal voldoende waarborg bieden voor de veiligheid van het schip en de opvarenden.
4. Op bestaande schepen moeten de aantallen reddingmiddelen zoals voorgeschreven in artikel 13binnen één jaar na de datum van het eerste onderzoek bedoeld in artikel 32 van het Binnenschepenbesluitaan boord aanwezig zijn. Aan de regelen betreffende de uitvoering en eigenschappen van de reddingmiddelen behoeft op bestaande schepen alleen te worden voldaan bij eerste aanschaf of bij aanvulling of vernieuwing van de oorspronkelijk aan boord zijnde reddingmiddelen.
5. De artikelen opgenomen in kolom 2 van artikel 11.02 van bijlage III van het Binnenschepenbesluitzijn, in aanvulling op artikel 42, tweede lid, van het Binnenschepenbesluitniet van toepassing bij het onderzoek van bestaande rondvaartboten bij gebruik op bepaalde binnenwateren van de zone 4, overeenkomstig de artikelen 5, tweede lid, en 9van deze regeling, met dien verstande dat naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal geen reden tot twijfel bestaat aan de veiligheid van de opvarenden en aan de stabiliteit van het beladen schip, en dat de omstandigheden die op grond van eerdere lokale verordeningen zijn aanvaard, overeenkomstig van toepassing zijn.