BWBR0004941
Geldig vanaf 1991-01-01
Artikel 9
Regeling open rondvaartboten
1. Op open rondvaartboten met een opbouw als bedoeld in artikel 1, derde lid, moet een vrij middenpad over de gehele lengte van het voor passagiers bestemde gedeelte aanwezig zijn. Dit middenpad moet een breedte van ten minste 0,45 m hebben.
2. Op open rondvaartboten met een opbouw als bedoeld in artikel 1, derde lid, moet zowel aan de voorzijde als aan de achterzijde van het voor passagiers bestemde gedeelte een uitgang met een vrije breedte van tenminste 0,50 m aanwezig zijn. Eén der uitgangen mag zijn vervangen door twee nooduitgangen, ieder met een vrije doorgang van tenminste 0,60 cm. breedte en ten minste 0,80 cm. hoogte.
3. Het aan en van boord gaan der passagiers moet op veilige wijze kunnen geschieden. Zo nodig moeten handgrepen en traptreden zijn aangebracht.
2. Op open rondvaartboten met een opbouw als bedoeld in artikel 1, derde lid, moet zowel aan de voorzijde als aan de achterzijde van het voor passagiers bestemde gedeelte een uitgang met een vrije breedte van tenminste 0,50 m aanwezig zijn. Eén der uitgangen mag zijn vervangen door twee nooduitgangen, ieder met een vrije doorgang van tenminste 0,60 cm. breedte en ten minste 0,80 cm. hoogte.
3. Het aan en van boord gaan der passagiers moet op veilige wijze kunnen geschieden. Zo nodig moeten handgrepen en traptreden zijn aangebracht.