BWBR0004854
Geldig vanaf 1990-09-16
Artikel 7
Regelen voorbereiding en uitvoering rondvluchten
1. Het vliegtuig moet tijdens een IFR-vlucht ten minste zijn voorzien van de volgende instrumenten:
a. een gyroscopische bochtaanwijzer, gecombineerd met een instrument, dat een versnelling langs de dwarsas van het luchtvaartuig aangeeft;
b. een gyroscopische dwars- en langshellingaanwijzer (kunstmatige horizon);
c. een gyroscopische koersaanwijzer (koerstol);
d. middelen, welke aangeven of de energievoorziening van de gyroscopische instrumenten voldoende is;
e. een gevoelige drukhoogte meter;
f. een buitenluchtthermometer;
g. een klok met een centraal bevestigde secondewijzer;
h. een snelheidsmeter, voorzien van een inrichting ter voorkoming van slechte werking als gevolg van condensatie of ijsafzetting;
i. een stijgsnelheidsmeter.
2. De in het vorige lid genoemde instrumenten moeten voor het gebruik door elk van de bestuurders van het vliegtuig zodanig zijn opgesteld, dat zij de instrumenten van hun zitplaats af gemakkelijk en met een zo klein mogelijke afwijking van de positie, houding en gezichtslijn, welke zij gewoonlijk innemen, wanneer zij vooruitkijken in de richting van de vliegbaan, kunnen zien.
3. Aan het bepaalde in het eerste lid onder g wordt geacht te zijn voldaan, indien de bestuurder van het vliegtuig een uurwerk met een centraal bevestigde secondewijzer bij zich heeft.
a. een gyroscopische bochtaanwijzer, gecombineerd met een instrument, dat een versnelling langs de dwarsas van het luchtvaartuig aangeeft;
b. een gyroscopische dwars- en langshellingaanwijzer (kunstmatige horizon);
c. een gyroscopische koersaanwijzer (koerstol);
d. middelen, welke aangeven of de energievoorziening van de gyroscopische instrumenten voldoende is;
e. een gevoelige drukhoogte meter;
f. een buitenluchtthermometer;
g. een klok met een centraal bevestigde secondewijzer;
h. een snelheidsmeter, voorzien van een inrichting ter voorkoming van slechte werking als gevolg van condensatie of ijsafzetting;
i. een stijgsnelheidsmeter.
2. De in het vorige lid genoemde instrumenten moeten voor het gebruik door elk van de bestuurders van het vliegtuig zodanig zijn opgesteld, dat zij de instrumenten van hun zitplaats af gemakkelijk en met een zo klein mogelijke afwijking van de positie, houding en gezichtslijn, welke zij gewoonlijk innemen, wanneer zij vooruitkijken in de richting van de vliegbaan, kunnen zien.
3. Aan het bepaalde in het eerste lid onder g wordt geacht te zijn voldaan, indien de bestuurder van het vliegtuig een uurwerk met een centraal bevestigde secondewijzer bij zich heeft.