1. Aan boord van het luchtvaartuig, dat een vlucht of deel van een vlucht uitvoert, waaraan verkeersleiding wordt verstrekt (gecontroleerde vlucht), met uitzondering van een VFR-vlucht in plaatselijke verkeersgebieden, moeten ten minste aanwezig zijn:
a. indien op of lager dan vliegniveau 100 wordt gevlogen: één installatie voor het ontvangen van VHF-signalen alzijdig gerichte radiobakens (V.O.R.'s) en één installatie voor het ontvangen van signalen van ongerichte radiobakens (N.D.B.'s);
b. indien boven vliegniveau 100 wordt gevlogen: één installatie voor het bepalen van afstand (DME) alsmede op routes waar V.O.R. het belangrijkste navigatiemiddel is, twee installaties voor het ontvangen van VHF-signalen van alzijdig gerichte radiobakens (V.O.R.'s) en één installatie voor het ontvangen van signalen van ongerichte radiobakens (N.D.B.'s) en op routes waar N.D.B. het belangrijkste navigatiehulpmiddel is, één installatie voor het ontvangen van VHF-signalen van alzijdig gerichte radiobakens (V.O.R.'s) en twee installaties voor het ontvangen van signalen van ongerichte radiobakens (N.D.B.'s).
2. De in het vorige lid bedoelde installaties moeten ten minste voldoen aan de normen gesteld in boek 1 van Bijlage 10 (Aeronautical Telecommunications) van het verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart.
Voorts kan, ingeval een tweevoudige installatie vereist is, hieraan worden voldaan door één enkelvoudige installatie en één andere niet in het vorige lid vermelde installatie, doch hiervoor is met uitzondering van een ‘inertial navigation system’ (I.N.S.) en van een met I.N.S. gevoed ‘area navigation system’ (R.N.A.V.), toestemming van de Minister van Verkeer en Waterstaat vereist.
3. De installaties dienen zodanig te zijn uitgevoerd, dat het onklaar raken van één van de in het eerste lid vereiste installaties niet tot gevolg heeft, dat een andere ingevolge dat lid vereiste installatie onklaar raakt.