BWBR0004854
Geldig vanaf 1990-09-16
Artikel 10
Regelen voorbereiding en uitvoering rondvluchten
1. Aan boord van het vliegtuig, waarmede wordt gevlogen tijdens gecontroleerde vluchten, met uitzondering van VFR-vluchten in plaatselijke verkeersgebieden, moet een goed functionerend radar beantwoordings zender-systeem (Secondary Surveillance Radar (SSR) Transponder System) met 4096 code mogelijkheden in mode A en met automatische hoogterapportering in mode C aanwezig zijn.
2. De in het vorige lid bedoeld radaridentificatie zender moet ten minste voldoen aan de normen gesteld in Boek I Bijlage 10 (Aeronautical Telecommunications) van het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart.
3. Indien vóór het voorgenomen vertrek de in de vorige leden bedoelde radaridentificatiezender door een storing niet voor het gebruik gereed is, mag de vlucht worden uitgevoerd, mits toestemming van de betrokken verkeersleidingsdiensten is verkregen en wordt voldaan aan de daarbij gegeven aanwijzingen en gestelde voorwaarden.
2. De in het vorige lid bedoeld radaridentificatie zender moet ten minste voldoen aan de normen gesteld in Boek I Bijlage 10 (Aeronautical Telecommunications) van het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart.
3. Indien vóór het voorgenomen vertrek de in de vorige leden bedoelde radaridentificatiezender door een storing niet voor het gebruik gereed is, mag de vlucht worden uitgevoerd, mits toestemming van de betrokken verkeersleidingsdiensten is verkregen en wordt voldaan aan de daarbij gegeven aanwijzingen en gestelde voorwaarden.