BWBR0004489
Geldig vanaf 1989-03-01
Artikel F
Vaststelling aanwijzingen voor beveiliging staatsgeheimen en vitale onderdelen van de rijksdienst
48. Plaatsen waar staatsgeheimen of vitale onderdelen aanwezig zijn worden beveiligd. Indien de staatsgeheimen of vitale onderdelen zijn geconcentreerd binnen bepaalde werkruimten kan de beveiliging beperkt blijven tot die ruimten.
De mate van beveiliging wordt bepaald door:
de rubricering van de staatsgeheimen;
de hoeveelheid van de staatsgeheimen;
de voor de staatsgeheimen beschikbare opbergmiddelen;
de kwetsbaarheid van de vitale onderdelen;
de plaatselijke dreiging van vijandelijke inlichtingendiensten en terroristische en andere criminele activiteiten.
49. Plaatsen waar staatsgeheimen aanwezig zijn kunnen met inachtneming van het bepaalde in de Wet bescherming staatsgeheimen(Stb. 1951, 92) worden aangewezen als verboden plaats.
50. Controle op het betreden en verlaten van plaatsen waar staatsgeheimen en vitale onderdelen aanwezig zijn
Op het betreden en verlaten van plaatsen waar staatsgeheimen of vitale onderdelen aanwezig zijn wordt tijdens de werkuren controle uitgeoefend door bewakingsbeambten of door de BVA aangewezen ambtenaren.
De controle heeft ten doel te voorkomen dat:
anderen dan ambtenaren die daar werkzaam zijn de plaats onopgemerkt betreden of verlaten;
een document of materiaal waarin een staatsgeheim is vastgelegd buiten de plaats wordt gebracht zonder dat de daarvoor geldende regels in acht zijn genomen.
51. Ambtenaren die werkzaam zijn op plaatsen waar staatsgeheimen of vitale onderdelen aanwezig zijn worden voorzien van een toegangsbewijs, tenzij de in aanwijzing 50 bedoelde controle kan worden uitgeoefend door persoonlijke herkenning. Toegangsbewijzen worden door de BVA of een door hem aangewezen ambtenaar uitgegeven en geregistreerd. Aangetekend wordt welke ambtenaar een bepaald toegangsbewijs heeft ontvangen. Zoekraken van een toegangsbewijs, ook tijdelijk zoekraken indien de mogelijkheid bestaat dat het toegangsbewijs in handen van een onbevoegde is geweest, wordt onverwijld gemeld aan de BVA. Indien een ambtenaar niet langer behoeft te beschikken over een toegangsbewijs, wordt dit ingenomen.
52. Bezoekers van plaatsen waar staatsgeheimen of vitale onderdelen aanwezig zijn worden indien dit naar het oordeel van de BVA nodig is, geregistreerd en van een incidentele bezoekerspas voorzien. Geregelde bezoekers kunnen worden voorzien van een voor een bepaalde periode geldige pas. Op voor langere tijd geldige passen is het in aanwijzing 51 ten aanzien van toegangsbewijzen gestelde van overeenkomstige toepassing. Bezoekers staan indien dit naar het oordeel van de BVA nodig is, tijdens hun verblijf voortdurend onder toezicht van bewakingsbeambten of ambtenaren die ter plaatse werkzaam zijn.
53. Werkruimten waar tijdens de werkuren onopgeborgen staatsgeheimen aanwezig zijn worden niet onbeheerd gelaten, tenzij door het sluiten van ramen en deuren kennis nemen van de staatsgeheimen door niet gerechtigden, ook door waarneming van buitenaf, niet mogelijk is. Indien tot de werkruimten niet tot kennis nemen gerechtigden moeten worden toegelaten, worden maatregelen getroffen om kennis nemen van de staatsgeheimen door de niet gerechtigden te voorkomen.
54. Op plaatsen waar staatsgeheimen of vitale onderdelen aanwezig zijn controleren na afloop van de werkzaamheden bewakingsbeambten dan wel door de BVA aangewezen ambtenaren of:
staatsgeheimen op de oorgeschreven wijze zijn opgeborgen;
geen onbevoegden aanwezig zijn;
ramen en deuren behoorlijk zijn afgesloten.
55. Bewaken van plaatsen waar staatsgeheimen en vitale onderdelen aanwezig zijn
Plaatsen waar staatsgeheimen of vitale onderdelen aanwezig zijn worden buiten de werkuren bewaakt. De bewaking kan bestaan uit:
permanente bewaking door bewakingsbeambten;
incidentele bewaking door rondes van bewakingsbeambten;
een indringersdetectiesysteem al dan niet gecombineerd met één van de andere bewakingsmethoden.
Een indringersdetectiesysteem wordt alleen toegepast in opdracht van of in overleg met de BVA. Een dergelijk systeem wordt periodiek op het juist functioneren beproefd Door of in overleg met de BVA wordt een instructie vastgesteld voor bewakingsbeambten.
56. Sleutels en combinaties van sloten van toegangen tot plaatsen waar staatsgeheimen of vitale onderdelen aanwezig zijn en die van een indringersdetectiesysteem op dergelijke plaatsen, worden behandeld overeenkomstig het in de aanwijzingen 42 en 43 gestelde ten aanzien van sleutels en combinaties van sloten van opbergmiddelen voor staatsgeheimen.
57. Staatsgeheimen en vitale onderdelen worden, teneinde de beveiligingsmaatregelen beperkt te kunnen houden, zoveel mogelijk binnen bepaalde werkruimten geconcentreerd.
58. Bij werkruimten waar regelmatig wordt gesproken over staatsgeheimen worden door of in overleg met de BVA maatregelen getroffen om te voorkomen dat het gesprokene buiten de ruimten doordringt, zodat niet gerechtigden kennis kunnen nemen van de staatsgeheimen. De werkruimten worden zo nodig geregeld gecontroleerd op de aanwezigheid van afluisterapparatuur.
59. Bij werkruimten waar regelmatig met documenten of materiaal wordt gewerkt waarin staatsgeheimen zijn vastgelegd worden door of in overleg met de BVA maatregelen getroffen om te voorkomen dat niet gerechtigden, al dan niet met gebruik van optische hulpmiddelen, door waarnemen van buitenaf kennis kunnen nemen van de staatsgeheimen.
60. Zo nodig worden door of in overleg met de BVA maatregelen getroffen om te voorkomen dat niet gerechtigden door het opvangen van de electromagnetische straling van bepaalde apparatuur, kennis kunnen nemen van de daarmee in bewerking zijnde staatsgeheimen.
61. Bij de nieuwbouw van plaatsen waar staatsgeheimen of vitale onderdelen aanwezig zullen zijn, wordt met het oog op de te treffen beveiligingsmaatregelen vooraf overleg gevoerd met de BVA.
De mate van beveiliging wordt bepaald door:
de rubricering van de staatsgeheimen;
de hoeveelheid van de staatsgeheimen;
de voor de staatsgeheimen beschikbare opbergmiddelen;
de kwetsbaarheid van de vitale onderdelen;
de plaatselijke dreiging van vijandelijke inlichtingendiensten en terroristische en andere criminele activiteiten.
49. Plaatsen waar staatsgeheimen aanwezig zijn kunnen met inachtneming van het bepaalde in de Wet bescherming staatsgeheimen(Stb. 1951, 92) worden aangewezen als verboden plaats.
50. Controle op het betreden en verlaten van plaatsen waar staatsgeheimen en vitale onderdelen aanwezig zijn
Op het betreden en verlaten van plaatsen waar staatsgeheimen of vitale onderdelen aanwezig zijn wordt tijdens de werkuren controle uitgeoefend door bewakingsbeambten of door de BVA aangewezen ambtenaren.
De controle heeft ten doel te voorkomen dat:
anderen dan ambtenaren die daar werkzaam zijn de plaats onopgemerkt betreden of verlaten;
een document of materiaal waarin een staatsgeheim is vastgelegd buiten de plaats wordt gebracht zonder dat de daarvoor geldende regels in acht zijn genomen.
51. Ambtenaren die werkzaam zijn op plaatsen waar staatsgeheimen of vitale onderdelen aanwezig zijn worden voorzien van een toegangsbewijs, tenzij de in aanwijzing 50 bedoelde controle kan worden uitgeoefend door persoonlijke herkenning. Toegangsbewijzen worden door de BVA of een door hem aangewezen ambtenaar uitgegeven en geregistreerd. Aangetekend wordt welke ambtenaar een bepaald toegangsbewijs heeft ontvangen. Zoekraken van een toegangsbewijs, ook tijdelijk zoekraken indien de mogelijkheid bestaat dat het toegangsbewijs in handen van een onbevoegde is geweest, wordt onverwijld gemeld aan de BVA. Indien een ambtenaar niet langer behoeft te beschikken over een toegangsbewijs, wordt dit ingenomen.
52. Bezoekers van plaatsen waar staatsgeheimen of vitale onderdelen aanwezig zijn worden indien dit naar het oordeel van de BVA nodig is, geregistreerd en van een incidentele bezoekerspas voorzien. Geregelde bezoekers kunnen worden voorzien van een voor een bepaalde periode geldige pas. Op voor langere tijd geldige passen is het in aanwijzing 51 ten aanzien van toegangsbewijzen gestelde van overeenkomstige toepassing. Bezoekers staan indien dit naar het oordeel van de BVA nodig is, tijdens hun verblijf voortdurend onder toezicht van bewakingsbeambten of ambtenaren die ter plaatse werkzaam zijn.
53. Werkruimten waar tijdens de werkuren onopgeborgen staatsgeheimen aanwezig zijn worden niet onbeheerd gelaten, tenzij door het sluiten van ramen en deuren kennis nemen van de staatsgeheimen door niet gerechtigden, ook door waarneming van buitenaf, niet mogelijk is. Indien tot de werkruimten niet tot kennis nemen gerechtigden moeten worden toegelaten, worden maatregelen getroffen om kennis nemen van de staatsgeheimen door de niet gerechtigden te voorkomen.
54. Op plaatsen waar staatsgeheimen of vitale onderdelen aanwezig zijn controleren na afloop van de werkzaamheden bewakingsbeambten dan wel door de BVA aangewezen ambtenaren of:
staatsgeheimen op de oorgeschreven wijze zijn opgeborgen;
geen onbevoegden aanwezig zijn;
ramen en deuren behoorlijk zijn afgesloten.
55. Bewaken van plaatsen waar staatsgeheimen en vitale onderdelen aanwezig zijn
Plaatsen waar staatsgeheimen of vitale onderdelen aanwezig zijn worden buiten de werkuren bewaakt. De bewaking kan bestaan uit:
permanente bewaking door bewakingsbeambten;
incidentele bewaking door rondes van bewakingsbeambten;
een indringersdetectiesysteem al dan niet gecombineerd met één van de andere bewakingsmethoden.
Een indringersdetectiesysteem wordt alleen toegepast in opdracht van of in overleg met de BVA. Een dergelijk systeem wordt periodiek op het juist functioneren beproefd Door of in overleg met de BVA wordt een instructie vastgesteld voor bewakingsbeambten.
56. Sleutels en combinaties van sloten van toegangen tot plaatsen waar staatsgeheimen of vitale onderdelen aanwezig zijn en die van een indringersdetectiesysteem op dergelijke plaatsen, worden behandeld overeenkomstig het in de aanwijzingen 42 en 43 gestelde ten aanzien van sleutels en combinaties van sloten van opbergmiddelen voor staatsgeheimen.
57. Staatsgeheimen en vitale onderdelen worden, teneinde de beveiligingsmaatregelen beperkt te kunnen houden, zoveel mogelijk binnen bepaalde werkruimten geconcentreerd.
58. Bij werkruimten waar regelmatig wordt gesproken over staatsgeheimen worden door of in overleg met de BVA maatregelen getroffen om te voorkomen dat het gesprokene buiten de ruimten doordringt, zodat niet gerechtigden kennis kunnen nemen van de staatsgeheimen. De werkruimten worden zo nodig geregeld gecontroleerd op de aanwezigheid van afluisterapparatuur.
59. Bij werkruimten waar regelmatig met documenten of materiaal wordt gewerkt waarin staatsgeheimen zijn vastgelegd worden door of in overleg met de BVA maatregelen getroffen om te voorkomen dat niet gerechtigden, al dan niet met gebruik van optische hulpmiddelen, door waarnemen van buitenaf kennis kunnen nemen van de staatsgeheimen.
60. Zo nodig worden door of in overleg met de BVA maatregelen getroffen om te voorkomen dat niet gerechtigden door het opvangen van de electromagnetische straling van bepaalde apparatuur, kennis kunnen nemen van de daarmee in bewerking zijnde staatsgeheimen.
61. Bij de nieuwbouw van plaatsen waar staatsgeheimen of vitale onderdelen aanwezig zullen zijn, wordt met het oog op de te treffen beveiligingsmaatregelen vooraf overleg gevoerd met de BVA.