BWBR0004452
Geldig vanaf 2005-01-30
Artikel 7
Besluit algemene richtlijnen post
7.1. De houder van de concessie is verplicht jaarlijks het college te rapporteren over de mate waarin is voldaan aan de wet en deze algemene richtlijnen. Daartoe wordt informatie verstrekt over:
a. de aard, de omvang en de kwaliteit van de dienstverlening blijkend uit: 1º. een overzicht van de aantallen in het binnenland vervoerde postzendingen per soort, waarvan de omzet meer dan 5% bedraagt van de totale binnenlandse omzet in geld;
2º. informatie over het vervoer van postzendingen naar en van het buitenland;
3º. een overzicht van de aantallen brievenbussen;
4º. een overzicht van de ontwikkeling van het aantal afgiftepunten in Nederland;
1º. een overzicht van de aantallen in het binnenland vervoerde postzendingen per soort, waarvan de omzet meer dan 5% bedraagt van de totale binnenlandse omzet in geld;
2º. informatie over het vervoer van postzendingen naar en van het buitenland;
3º. een overzicht van de aantallen brievenbussen;
4º. een overzicht van de ontwikkeling van het aantal afgiftepunten in Nederland;
b. het aantal geschillen en de aard daarvan dat is voorgelegd aan de commissie als bedoeld in § 9, alsmede over de afdoening daarvan;
c. de gewogen tariefontwikkeling van de in 5.4, onder a, 1° en 2°, genoemde pakketten en de ontwikkeling van de loonsom, gecorrigeerd voor de arbeidsduur, bedoeld in 5.4;
d. de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de richtlijnen in § 3, blijkend uit: 1. een opgave van het aantal gevallen waarin met machtiging van de kantonrechter te 's-Gravenhage overgegaan is tot het openen van onbestelbare postzendingen;
2. informatie over de wijze waarop bij de bedrijfsvoering zorg wordt gedragen voor bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers van diensten;
3. een overzicht van de gevallen, waarin sprake is geweest van overtreding van de bepalingen in de arbeidsovereenkomst ter zake van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers van diensten.
1. een opgave van het aantal gevallen waarin met machtiging van de kantonrechter te 's-Gravenhage overgegaan is tot het openen van onbestelbare postzendingen;
2. informatie over de wijze waarop bij de bedrijfsvoering zorg wordt gedragen voor bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers van diensten;
3. een overzicht van de gevallen, waarin sprake is geweest van overtreding van de bepalingen in de arbeidsovereenkomst ter zake van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers van diensten.
7.2. De houder van de concessie legt desgevraagd zijn meerjarenbeleid met betrekking tot de dienstverlening ter zake van het postvervoer voor aan de Minister.
7.3. De houder van de concessie geeft jaarlijks informatie aan het college over het behaalde rendement en de behaalde financiële resultaten uit het postvervoer te onderscheiden naar de categorieën van activiteiten aangegeven in onderdeel 6.2, onder a en b, zoals deze zijn opgenomen in een overzicht van de omzet en de lasten in enig jaar aan de hand waarvan het netto resultaat van de activiteiten kan worden vastgesteld. Een afschrift van de in de vorige volzin bedoelde informatie wordt door de houder van de concessie aan de minister verstrekt.
7.4. De houder van de concessie is verplicht op verzoek van de Minister die financiële informatie met betrekking tot het tariefbeheersingssysteem te verstrekken die deze nodig heeft voor de evaluatie als bedoeld in artikel 5, tiende lid, van de wet.
7.5. De houder van de concessie zal aan het college een verklaring van een onafhankelijke, door het college aan te wijzen, accountant voorleggen over de juistheid en volledigheid van de onder 7.1 en 7.3 genoemde op te leveren gegevens.
7.6. Op basis van de rapportage als bedoeld in § 7, onderdelen 7.1 tot en met 7.5, waarbij voor de eerste maal toepassing is gegeven aan de wijzigingen die dit besluit aanbrengt in het Besluit algemene richtlijnen post, evalueert de minister de resultaten van het tariefbeheersingssysteem, bedoeld in onderdeel 5.4, en toetst deze resultaten aan de vereisten van artikel 12 van de richtlijn.
7.7. 1. De ingevolge onderdeel 6.2 aangewezen onafhankelijke accountant verricht de in dit besluit omschreven taken ter controle op de verplichtingen die zijn opgenomen in § 2en § 2a.
2. De houder van de concessie legt jaarlijks een verklaring van de in het eerste lid bedoelde accountant over de uitvoering van de verplichtingen inzake de uitvoering van het postvervoer voor aan het college.
7.8. Indien de in onderdeel 6.2 bedoelde onafhankelijke accountant tevens de onafhankelijke accountant is die de in Boek 2, Titel 9, van het Burgerlijk Wetboekvoorgeschreven accountantscontrole verricht met betrekking tot de jaarrekening en het jaarverslag van de vennootschap die de houder van de concessie is, kan het college een andere onafhankelijke accountant aanwijzen voor het verrichten van een vakgenootschappelijke toetsing van de uitvoering van de in de onderdelen 6.2, 6.3, 7.5 en 7.7 bedoelde controletaken door de in onderdeel 7.7, eerste lid, bedoelde onafhankelijke accountant.
7.9. De accountants bedoeld in onderdeel 7.7 en onderdeel 7.8 zijn registeraccountant.
7.10. 1. De andere accountant, bedoeld in onderdeel 7.8, deelt als resultaat van zijn vakgenootschappelijke toetsing aan het college mede of de verklaringen, die de accountant, bedoeld in onderdeel 7.7, eerste lid, als resultaat van de uitvoering van de in de onderdelen 6.2, 6.3, 7.5 en 7.7 omschreven controletaken aan de houder van de concessie heeft afgegeven, op een voldoende deugdelijke grondslag berusten.
2. Het college zendt een afschrift van de verklaring, bedoeld in het eerste lid naar de Minister, die daarvan zo nodig mededeling doet aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
7.11. Indien de in onderdeel 7.10 bedoelde mededeling van de in onderdeel 7.8 bedoelde andere accountant inhoudt dat naar zijn beoordeling de desbetreffende verklaring van de in onderdeel 7.7 bedoelde accountant niet of niet geheel op een voldoende deugdelijke grondslag berust, geeft hij in zijn mededeling aan het college de zakelijke gronden aan waarop zijn beoordeling berust, zonder dat hij daarbij melding maakt van of in bijzonderheden treedt over de inhoud van de controledossiers van de in onderdeel 7.7 bedoelde accountant, waarin hij ter uitvoering van zijn vakgenootschappelijke toetsing bedoeld in onderdeel 7.8 inzage heeft gehad.
7.12. De in onderdeel 7.10 bedoelde mededeling wordt gedaan binnen zes maanden na de datum waarop een in dat onderdeel bedoelde verklaring van de in onderdeel 7.7 bedoelde accountant door de houder van de concessie aan het college ter kennis is gebracht.
a. de aard, de omvang en de kwaliteit van de dienstverlening blijkend uit: 1º. een overzicht van de aantallen in het binnenland vervoerde postzendingen per soort, waarvan de omzet meer dan 5% bedraagt van de totale binnenlandse omzet in geld;
2º. informatie over het vervoer van postzendingen naar en van het buitenland;
3º. een overzicht van de aantallen brievenbussen;
4º. een overzicht van de ontwikkeling van het aantal afgiftepunten in Nederland;
1º. een overzicht van de aantallen in het binnenland vervoerde postzendingen per soort, waarvan de omzet meer dan 5% bedraagt van de totale binnenlandse omzet in geld;
2º. informatie over het vervoer van postzendingen naar en van het buitenland;
3º. een overzicht van de aantallen brievenbussen;
4º. een overzicht van de ontwikkeling van het aantal afgiftepunten in Nederland;
b. het aantal geschillen en de aard daarvan dat is voorgelegd aan de commissie als bedoeld in § 9, alsmede over de afdoening daarvan;
c. de gewogen tariefontwikkeling van de in 5.4, onder a, 1° en 2°, genoemde pakketten en de ontwikkeling van de loonsom, gecorrigeerd voor de arbeidsduur, bedoeld in 5.4;
d. de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de richtlijnen in § 3, blijkend uit: 1. een opgave van het aantal gevallen waarin met machtiging van de kantonrechter te 's-Gravenhage overgegaan is tot het openen van onbestelbare postzendingen;
2. informatie over de wijze waarop bij de bedrijfsvoering zorg wordt gedragen voor bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers van diensten;
3. een overzicht van de gevallen, waarin sprake is geweest van overtreding van de bepalingen in de arbeidsovereenkomst ter zake van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers van diensten.
1. een opgave van het aantal gevallen waarin met machtiging van de kantonrechter te 's-Gravenhage overgegaan is tot het openen van onbestelbare postzendingen;
2. informatie over de wijze waarop bij de bedrijfsvoering zorg wordt gedragen voor bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers van diensten;
3. een overzicht van de gevallen, waarin sprake is geweest van overtreding van de bepalingen in de arbeidsovereenkomst ter zake van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers van diensten.
7.2. De houder van de concessie legt desgevraagd zijn meerjarenbeleid met betrekking tot de dienstverlening ter zake van het postvervoer voor aan de Minister.
7.3. De houder van de concessie geeft jaarlijks informatie aan het college over het behaalde rendement en de behaalde financiële resultaten uit het postvervoer te onderscheiden naar de categorieën van activiteiten aangegeven in onderdeel 6.2, onder a en b, zoals deze zijn opgenomen in een overzicht van de omzet en de lasten in enig jaar aan de hand waarvan het netto resultaat van de activiteiten kan worden vastgesteld. Een afschrift van de in de vorige volzin bedoelde informatie wordt door de houder van de concessie aan de minister verstrekt.
7.4. De houder van de concessie is verplicht op verzoek van de Minister die financiële informatie met betrekking tot het tariefbeheersingssysteem te verstrekken die deze nodig heeft voor de evaluatie als bedoeld in artikel 5, tiende lid, van de wet.
7.5. De houder van de concessie zal aan het college een verklaring van een onafhankelijke, door het college aan te wijzen, accountant voorleggen over de juistheid en volledigheid van de onder 7.1 en 7.3 genoemde op te leveren gegevens.
7.6. Op basis van de rapportage als bedoeld in § 7, onderdelen 7.1 tot en met 7.5, waarbij voor de eerste maal toepassing is gegeven aan de wijzigingen die dit besluit aanbrengt in het Besluit algemene richtlijnen post, evalueert de minister de resultaten van het tariefbeheersingssysteem, bedoeld in onderdeel 5.4, en toetst deze resultaten aan de vereisten van artikel 12 van de richtlijn.
7.7. 1. De ingevolge onderdeel 6.2 aangewezen onafhankelijke accountant verricht de in dit besluit omschreven taken ter controle op de verplichtingen die zijn opgenomen in § 2en § 2a.
2. De houder van de concessie legt jaarlijks een verklaring van de in het eerste lid bedoelde accountant over de uitvoering van de verplichtingen inzake de uitvoering van het postvervoer voor aan het college.
7.8. Indien de in onderdeel 6.2 bedoelde onafhankelijke accountant tevens de onafhankelijke accountant is die de in Boek 2, Titel 9, van het Burgerlijk Wetboekvoorgeschreven accountantscontrole verricht met betrekking tot de jaarrekening en het jaarverslag van de vennootschap die de houder van de concessie is, kan het college een andere onafhankelijke accountant aanwijzen voor het verrichten van een vakgenootschappelijke toetsing van de uitvoering van de in de onderdelen 6.2, 6.3, 7.5 en 7.7 bedoelde controletaken door de in onderdeel 7.7, eerste lid, bedoelde onafhankelijke accountant.
7.9. De accountants bedoeld in onderdeel 7.7 en onderdeel 7.8 zijn registeraccountant.
7.10. 1. De andere accountant, bedoeld in onderdeel 7.8, deelt als resultaat van zijn vakgenootschappelijke toetsing aan het college mede of de verklaringen, die de accountant, bedoeld in onderdeel 7.7, eerste lid, als resultaat van de uitvoering van de in de onderdelen 6.2, 6.3, 7.5 en 7.7 omschreven controletaken aan de houder van de concessie heeft afgegeven, op een voldoende deugdelijke grondslag berusten.
2. Het college zendt een afschrift van de verklaring, bedoeld in het eerste lid naar de Minister, die daarvan zo nodig mededeling doet aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
7.11. Indien de in onderdeel 7.10 bedoelde mededeling van de in onderdeel 7.8 bedoelde andere accountant inhoudt dat naar zijn beoordeling de desbetreffende verklaring van de in onderdeel 7.7 bedoelde accountant niet of niet geheel op een voldoende deugdelijke grondslag berust, geeft hij in zijn mededeling aan het college de zakelijke gronden aan waarop zijn beoordeling berust, zonder dat hij daarbij melding maakt van of in bijzonderheden treedt over de inhoud van de controledossiers van de in onderdeel 7.7 bedoelde accountant, waarin hij ter uitvoering van zijn vakgenootschappelijke toetsing bedoeld in onderdeel 7.8 inzage heeft gehad.
7.12. De in onderdeel 7.10 bedoelde mededeling wordt gedaan binnen zes maanden na de datum waarop een in dat onderdeel bedoelde verklaring van de in onderdeel 7.7 bedoelde accountant door de houder van de concessie aan het college ter kennis is gebracht.