BWBR0004452
Geldig vanaf 2005-01-30
Artikel 2
Besluit algemene richtlijnen post
2.1. De houder van de concessie is verplicht om een aan de eisen des tijds beantwoordende dienstverlening ter zake van het postvervoer op te zetten en in stand te houden.
2.2. De onder 2.1 genoemde dienstverlening omvat ten minste:
a. het postvervoer;
b. het beschikbaar stellen van dienstverleningspunten als bedoeld in onderdeel 2.9;
c. het beschikbaar stellen van brievenbussen dan wel soortgelijke faciliteiten voor het ten vervoer aanbieden van daartoe geschikte postzendingen;
d. het bestellen van postzendingen;
e. het teruggeven van onbestelbare postzendingen aan de afzender.
2.3. In afwijking van het bepaalde onder 2.2, onderdeel a, is de houder van de concessie niet verplicht tot het postvervoer naar een land buiten Nederland, indien die zendingen vanuit dat land in Nederland zijn gebracht om deze aan de houder van de concessie ten vervoer aan te bieden met als bestemming adressen in dat land.
2.4. Ten aanzien van de dienstverlening als bedoeld in 2.2 dient de houder van de concessie te voldoen aan het in dit besluit gestelde.
2.5. De houder van de concessie draagt naar redelijkheid zorg voor de beveiliging van de hem ten vervoer toevertrouwde postzendingen in overeenstemming met de waarde die de afzender blijkens zijn keuze van de wijze van verzending aan deze postzendingen hecht.
2.6. Vervallen.
2.7. De houder van de concessie draagt zorg voor differentiatie in de vorm van betaling van de voor het postvervoer verschuldigde porten. De verantwoording van de porten zal mede kunnen geschieden door middel van postzegels, welke door de houder van de concessie op alle dienstverleningspunten verkrijgbaar worden gesteld.
2.8. De houder van de concessie dient bij het uitgeven van postzegels met toeslag voor culturele of sociale doelen dan wel ten behoeve van instellingen met een algemeen humanitaire doelstelling rekening te houden met de ter zake van het inzamelen van gelden voor deze doeleinden en instellingen getroffen regelingen.
2.9. 1. Onverminderd de onderdelen 2.11 en 2.12 omvat het net van dienstverleningspunten, dat de houder van de concessie gebruikt voor het aanbieden van postzendingen en voor het verrichten van andere met het postvervoer samenhangende handelingen, ten minste 2000 dienstverleningspunten, waarvan ten minste 902 met een volledig assortiment van diensten, en voldoet het aan de volgende spreidingsmaatstaven:
a. de spreiding over Nederland van dienstverleningspunten met een volledig assortiment van diensten resulteert in een beschikbaarheid van een volledig assortiment van diensten binnen een straal van vijf kilometer voor ten minste 95% van de inwoners;
b. de spreiding van dienstverleningspunten met een volledig assortiment van diensten buiten woonkernen met meer dan 5000 inwoners resulteert in een beschikbaarheid van een volledig assortiment van diensten binnen een straal van vijf kilometer voor ten minste 85% van de betrokken inwoners.
2. Een dienstverleningspunt in een woonkern met minder dan 5000 inwoners zonder winkelgebied wordt niet door de houder van de concessie gesloten.
3. Van het tweede lid mag de houder van de concessie afwijken indien de sluiting het gevolg is van opzegging of bedrijfsbeëindiging door de ondernemer met wie de houder van de concessie een overeenkomst tot exploitatie van een dienstverleningspunt heeft gesloten, dan wel indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. er is voor de bewoners van de woonkern binnen een straal van vijf kilometer een ander dienstverleningspunt met een volledig of nagenoeg volledig assortiment van diensten, en
b. de omzet in zegelwaarden van het te sluiten dienstverleningspunt bedraagt minder dan € 11.344,50 per jaar.
4. Een volledig assortiment van diensten, respectievelijk een nagenoeg volledig assortiment van diensten, bevat de postale diensten en activiteiten die zijn opgenomen in bijlage 2.
5. In afwijking van het eerste lid omvat het net van dienstverleningspunten met ingang van 1 januari 2006 ten minste 902 dienstverleningspunten met een volledig assortiment van diensten, ten minste 1200 dienstverleningspunten met een nagenoeg volledig assortiment van diensten, en voldoende andere dienstverleningspunten waar uitsluitend veelverkochte producten worden aangeboden.
6. Indien met ingang van 1 januari 2006, als gevolg van onvoorziene opzeggingen of bedrijfsbeëindigingen door de, door de houder van de concessie gecontracteerde, ondernemers die dienstverleningspunten exploiteren, het totaal aantal dienstverleningspunten met een volledig assortiment van diensten en met een nagenoeg volledig assortiment van diensten daalt tot onder de som van de in het vijfde lid genoemde aantallen, zorgt de houder van de concessie ervoor dat in elk geval de som van de aantallen van die dienstverleningspunten niet onder 2000 daalt.
2.10. 1. De houder van de concessie is gerechtigd in het net van dienstverleningspunten, bedoeld in onderdeel 2.9, aanpassingen aan te brengen, indien een wijziging in het gebruik van diensten ter zake van het postvervoer, dan wel voor andere diensten, die voor derden op die dienstverleningspunten worden verleend, daartoe redelijkerwijs aanleiding geeft.
2. Aanpassingen in het net van dienstverleningspunten, die niet in overeenstemming zijn met onderdeel 2.9 worden niet gerealiseerd dan nadat daarover een postvestigingenplan bij de Minister is ingediend en dit postvestigingenplan de instemming van de Minister heeft verkregen.
3. De houder van de concessie verstrekt ten minste één maand voor de aanvang van elk kalenderjaar aan het college de indicatieve planning van de in dat kalenderjaar voorziene mutaties in het net van dienstverleningspunten, uitgesplitst naar soort dienstverleningspunt.
4. Binnen drie maanden na het verstrijken van een kalenderjaar verstrekt de houder van de concessie aan het college de gegevens, waaruit blijkt hoe hij in het verstreken kalenderjaar aan het postvestigingenplan en aan de onderdelen 2.9 tot en met 2.12 uitvoering heeft gegeven, alsmede een verklaring van de in onderdeel 7.5 bedoelde externe accountant over de juistheid en volledigheid van de gegevens.
5. Het college beoordeelt jaarlijks aan de hand van de gegevens, bedoeld in het vierde lid, of de houder van de concessie heeft voldaan aan onderdeel 2.9 en bijlage 2.
6. Het college rapporteert zijn bevindingen op grond van de in het vijfde lid bedoelde beoordeling binnen zes maanden na het kalenderjaar waarop de beoordeling betrekking heeft aan de Minister, en zendt hiervan tegelijkertijd een afschrift aan de houder van de concessie.
7. De rapportage, bedoeld in het vierde lid, bevat ten minste:
a. de aantallen dienstverleningspunten, uitgesplitst naar soort, aan het einde van elk kwartaal;
b. de verantwoording van de meetmethodiek voor de bepaling van de straal van vijf kilometer, genoemd in onderdeel 2.9, eerste lid;
c. een definitie van gehanteerde begrippen, voor zover die afwijken van de begrippen van dit besluit;
d. een verantwoording van de bepaling van het inwoneraantal van een woonkern;
e. de datering van de gehanteerde bronnen;
f. een verantwoording van de systematiek ter vaststelling of is voldaan aan de spreidingsnormen van onderdeel 2.11.
2.11. Bij de in 2.10 genoemde aanpassing draagt de houder van de concessie er in ieder geval zorg voor dat in woonkernen met meer dan 5000 inwoners binnen een straal van 5 km een dienstverleningspunt met een volledig assortiment van diensten aanwezig is. Daarenboven zal, indien het inwonertal 50,000 overschrijdt, per elk 50,000 inwonertal een (extra) dienstverleningspunt met een volledig assortiment van diensten aanwezig moeten zijn. Onder woonkernen dient te worden verstaan een aaneengesloten bebouwing binnen één gemeente.
2.12. Buiten bovenvermelde woonkernen draagt de houder van de concessie bij de in 2.10 genoemde aanpassing zorg voor een zoveel mogelijk vergelijkbaar niveau van aanwezigheid van dienstverleningspunten.
Indien een dergelijk niveau redelijkerwijs niet haalbaar is dient de houder van de concessie zorgte dragen voor een vervangende vorm van dienstverlening.
2.13. In woonkernen met meer dan 5000 inwoners zal binnen een straal van 500 m een brievenbus zijn om daartoe geschikte postzendingen ten vervoer aan te bieden.
2.14. Buiten bovengenoemde woonkernen zal, behoudens het in 2.15 gestelde, ten minste binnen een straal van 2500 m een brievenbus zijn om daartoe geschikte postzendingen ten vervoer aan te bieden.
2.15. Indien het in 2.14 gestelde redelijkerwijs niet haalbaar is, draagt de houder van de concessie er zorg voor dat bij de bestelling gelegenheid wordt geboden om daartoe geschikte postzendingen ten vervoer aan te bieden.
2.16. De houder van de concessie dient de brievenbussen bestemd voor het aanbieden van daartoe geschikte postzendingen in goede staat te houden en zodanig te plaatsen en uit te voeren, dat deze goed herkenbaar en bereikbaar zijn.
2.17. Tenzij bijzondere omstandigheden hem zulks verhinderen, zal de houder van de concessie ten minste zes dagen per week, met uitzondering van de feestdagen: eerste kerstdag, eerste paasdag, Hemelvaartsdag, eerste pinksterdag alsmede Koninginnedag, eenmaal per dag overal in Nederland postzendingen ophalen uit de voor het publiek bestemde brievenbussen dan wel uit andere daartoe bestemde inrichtingen en op alle dagen, niet zijnde zon- of feestdagen, overal in Nederland één postbestelling uitvoeren.
2.18. De houder van de concessie zorgt ervoor dat brieven, die overeenkomstig de daartoe gestelde voorwaarden aan hem worden aangeboden voor postvervoer binnen Nederland met de standaard overnight service, per kalenderjaar in ten minste gemiddeld 95% van de gevallen worden besteld op de dag, niet zijnde een zon- of officiële feestdag, volgende op de dag van aanbieding.
2.19. 1. De houder van de concessie voldoet aan de in onderdeel 2.18 omschreven norm voor de kwaliteit van de bestelling van postvervoer van brieven binnen Nederland met de standaard overnight service, indien de kwaliteit van de bestelling van die brieven per kalenderjaar gemeten over:
a. losse brieven, gefrankeerd met een postzegel, die op voor het algemene publiek bestemde aanbiedingspunten ten vervoer zijn aangeboden en,
b. de partijenpost brieven tot en met 50 gram die op daartoe bestemde aanbiedingspunten ten vervoer is aangeboden op grond van afzonderlijke overeenkomsten als bedoel in onderdeel 5.2, een, naar de onderlinge verhouding in stuksvolume van die verkeersstromen, over het desbetreffende kalenderjaar berekend, gewogen gemiddelde van ten minste 95% heeft.
2. In een jaarlijks door de houder van de concessie aan te wijzen, en voor 1 november aan het college bekend te maken, aaneengesloten periode van ten hoogste 21 dagen in de maand december wordt de meting van de overkomstduur van de brieven, bedoeld in het eerste lid onder a, uitsluitend verricht over losse brieven die op de voor het algemene publiek bestemde dienstverleningspunten, bedoeld in onderdeel 2.9, zijn aangeboden.
3. De houder van de concessie is verplicht de vorenbedoelde metingen van de kwaliteit van de bestelling per kalenderjaar over elke maand te laten uitvoeren door een onafhankelijke en daartoe deskundige instelling.
4. De houder van de concessie kondigt de periode, bedoeld in het tweede lid, op genoegzame wijze aan het publiek aan.
5. De houder van de concessie is verplicht in de periode, bedoeld in het tweede lid, op de desbetreffende dienstverleningspunten voldoende gelegenheid te bieden aan het publiek voor het aanbieden van brieven.
2.20. De houder van de concessie legt de algehele uitkomsten van die onderzoeken over het desbetreffende kalenderjaar, voorzien van een motivering en vergezeld van een nauwkeurige omschrijving van de door de betrokken instelling toegepaste meetsystematiek, voor 1 april van het daarop volgend jaar aan het college over.
Het college controleert aan de hand van de aan hem overgelegde gegevens de uitvoering door de houder van de concessie van de onderdelen 2.18 en de deugdelijkheid van de ter uitvoering van 2.19 verrichte metingen.
Het college maakt elk jaar zijn bevindingen van die controle bekend.
2.21. De houder van de concessie voldoet in het kader van het postvervoer ten aanzien van brieven en drukwerken van en naar een andere lidstaat van de Europese Unie of van en naar andere staten die partij zijn bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte aan de kwaliteitsnorm die in de bijlage van de richtlijn aan de overkomstduur wordt gesteld.
2.22. De houder van de concessie voldoet aan de in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen geplaatste technische normen, bedoeld in artikel 20 van de richtlijn, voorzover de normen betrekking hebben op de dienstverlening, bedoeld in onderdeel 2.2., behoudens dat de houder van de concessie aan het college kan verzoeken een norm dan wel een onderdeel daarvan geen toepassing te geven, wanneer zulks naar het oordeel van de houder van de concessie noodzakelijk blijkt voor de belangen van de gebruikers van het postvervoer.
Het college beslist binnen een maand of het instemt met het verzoek.
Wanneer zulks noodzakelijk blijkt voor de belangen van de gebruikers van het postvervoer, geeft de houder van de concessie aan de toe te passen normen bekendheid door middel van een verwijzing in de algemene voorwaarden naar die normen en naar de vindplaats daarvan in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
2.2. De onder 2.1 genoemde dienstverlening omvat ten minste:
a. het postvervoer;
b. het beschikbaar stellen van dienstverleningspunten als bedoeld in onderdeel 2.9;
c. het beschikbaar stellen van brievenbussen dan wel soortgelijke faciliteiten voor het ten vervoer aanbieden van daartoe geschikte postzendingen;
d. het bestellen van postzendingen;
e. het teruggeven van onbestelbare postzendingen aan de afzender.
2.3. In afwijking van het bepaalde onder 2.2, onderdeel a, is de houder van de concessie niet verplicht tot het postvervoer naar een land buiten Nederland, indien die zendingen vanuit dat land in Nederland zijn gebracht om deze aan de houder van de concessie ten vervoer aan te bieden met als bestemming adressen in dat land.
2.4. Ten aanzien van de dienstverlening als bedoeld in 2.2 dient de houder van de concessie te voldoen aan het in dit besluit gestelde.
2.5. De houder van de concessie draagt naar redelijkheid zorg voor de beveiliging van de hem ten vervoer toevertrouwde postzendingen in overeenstemming met de waarde die de afzender blijkens zijn keuze van de wijze van verzending aan deze postzendingen hecht.
2.6. Vervallen.
2.7. De houder van de concessie draagt zorg voor differentiatie in de vorm van betaling van de voor het postvervoer verschuldigde porten. De verantwoording van de porten zal mede kunnen geschieden door middel van postzegels, welke door de houder van de concessie op alle dienstverleningspunten verkrijgbaar worden gesteld.
2.8. De houder van de concessie dient bij het uitgeven van postzegels met toeslag voor culturele of sociale doelen dan wel ten behoeve van instellingen met een algemeen humanitaire doelstelling rekening te houden met de ter zake van het inzamelen van gelden voor deze doeleinden en instellingen getroffen regelingen.
2.9. 1. Onverminderd de onderdelen 2.11 en 2.12 omvat het net van dienstverleningspunten, dat de houder van de concessie gebruikt voor het aanbieden van postzendingen en voor het verrichten van andere met het postvervoer samenhangende handelingen, ten minste 2000 dienstverleningspunten, waarvan ten minste 902 met een volledig assortiment van diensten, en voldoet het aan de volgende spreidingsmaatstaven:
a. de spreiding over Nederland van dienstverleningspunten met een volledig assortiment van diensten resulteert in een beschikbaarheid van een volledig assortiment van diensten binnen een straal van vijf kilometer voor ten minste 95% van de inwoners;
b. de spreiding van dienstverleningspunten met een volledig assortiment van diensten buiten woonkernen met meer dan 5000 inwoners resulteert in een beschikbaarheid van een volledig assortiment van diensten binnen een straal van vijf kilometer voor ten minste 85% van de betrokken inwoners.
2. Een dienstverleningspunt in een woonkern met minder dan 5000 inwoners zonder winkelgebied wordt niet door de houder van de concessie gesloten.
3. Van het tweede lid mag de houder van de concessie afwijken indien de sluiting het gevolg is van opzegging of bedrijfsbeëindiging door de ondernemer met wie de houder van de concessie een overeenkomst tot exploitatie van een dienstverleningspunt heeft gesloten, dan wel indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. er is voor de bewoners van de woonkern binnen een straal van vijf kilometer een ander dienstverleningspunt met een volledig of nagenoeg volledig assortiment van diensten, en
b. de omzet in zegelwaarden van het te sluiten dienstverleningspunt bedraagt minder dan € 11.344,50 per jaar.
4. Een volledig assortiment van diensten, respectievelijk een nagenoeg volledig assortiment van diensten, bevat de postale diensten en activiteiten die zijn opgenomen in bijlage 2.
5. In afwijking van het eerste lid omvat het net van dienstverleningspunten met ingang van 1 januari 2006 ten minste 902 dienstverleningspunten met een volledig assortiment van diensten, ten minste 1200 dienstverleningspunten met een nagenoeg volledig assortiment van diensten, en voldoende andere dienstverleningspunten waar uitsluitend veelverkochte producten worden aangeboden.
6. Indien met ingang van 1 januari 2006, als gevolg van onvoorziene opzeggingen of bedrijfsbeëindigingen door de, door de houder van de concessie gecontracteerde, ondernemers die dienstverleningspunten exploiteren, het totaal aantal dienstverleningspunten met een volledig assortiment van diensten en met een nagenoeg volledig assortiment van diensten daalt tot onder de som van de in het vijfde lid genoemde aantallen, zorgt de houder van de concessie ervoor dat in elk geval de som van de aantallen van die dienstverleningspunten niet onder 2000 daalt.
2.10. 1. De houder van de concessie is gerechtigd in het net van dienstverleningspunten, bedoeld in onderdeel 2.9, aanpassingen aan te brengen, indien een wijziging in het gebruik van diensten ter zake van het postvervoer, dan wel voor andere diensten, die voor derden op die dienstverleningspunten worden verleend, daartoe redelijkerwijs aanleiding geeft.
2. Aanpassingen in het net van dienstverleningspunten, die niet in overeenstemming zijn met onderdeel 2.9 worden niet gerealiseerd dan nadat daarover een postvestigingenplan bij de Minister is ingediend en dit postvestigingenplan de instemming van de Minister heeft verkregen.
3. De houder van de concessie verstrekt ten minste één maand voor de aanvang van elk kalenderjaar aan het college de indicatieve planning van de in dat kalenderjaar voorziene mutaties in het net van dienstverleningspunten, uitgesplitst naar soort dienstverleningspunt.
4. Binnen drie maanden na het verstrijken van een kalenderjaar verstrekt de houder van de concessie aan het college de gegevens, waaruit blijkt hoe hij in het verstreken kalenderjaar aan het postvestigingenplan en aan de onderdelen 2.9 tot en met 2.12 uitvoering heeft gegeven, alsmede een verklaring van de in onderdeel 7.5 bedoelde externe accountant over de juistheid en volledigheid van de gegevens.
5. Het college beoordeelt jaarlijks aan de hand van de gegevens, bedoeld in het vierde lid, of de houder van de concessie heeft voldaan aan onderdeel 2.9 en bijlage 2.
6. Het college rapporteert zijn bevindingen op grond van de in het vijfde lid bedoelde beoordeling binnen zes maanden na het kalenderjaar waarop de beoordeling betrekking heeft aan de Minister, en zendt hiervan tegelijkertijd een afschrift aan de houder van de concessie.
7. De rapportage, bedoeld in het vierde lid, bevat ten minste:
a. de aantallen dienstverleningspunten, uitgesplitst naar soort, aan het einde van elk kwartaal;
b. de verantwoording van de meetmethodiek voor de bepaling van de straal van vijf kilometer, genoemd in onderdeel 2.9, eerste lid;
c. een definitie van gehanteerde begrippen, voor zover die afwijken van de begrippen van dit besluit;
d. een verantwoording van de bepaling van het inwoneraantal van een woonkern;
e. de datering van de gehanteerde bronnen;
f. een verantwoording van de systematiek ter vaststelling of is voldaan aan de spreidingsnormen van onderdeel 2.11.
2.11. Bij de in 2.10 genoemde aanpassing draagt de houder van de concessie er in ieder geval zorg voor dat in woonkernen met meer dan 5000 inwoners binnen een straal van 5 km een dienstverleningspunt met een volledig assortiment van diensten aanwezig is. Daarenboven zal, indien het inwonertal 50,000 overschrijdt, per elk 50,000 inwonertal een (extra) dienstverleningspunt met een volledig assortiment van diensten aanwezig moeten zijn. Onder woonkernen dient te worden verstaan een aaneengesloten bebouwing binnen één gemeente.
2.12. Buiten bovenvermelde woonkernen draagt de houder van de concessie bij de in 2.10 genoemde aanpassing zorg voor een zoveel mogelijk vergelijkbaar niveau van aanwezigheid van dienstverleningspunten.
Indien een dergelijk niveau redelijkerwijs niet haalbaar is dient de houder van de concessie zorgte dragen voor een vervangende vorm van dienstverlening.
2.13. In woonkernen met meer dan 5000 inwoners zal binnen een straal van 500 m een brievenbus zijn om daartoe geschikte postzendingen ten vervoer aan te bieden.
2.14. Buiten bovengenoemde woonkernen zal, behoudens het in 2.15 gestelde, ten minste binnen een straal van 2500 m een brievenbus zijn om daartoe geschikte postzendingen ten vervoer aan te bieden.
2.15. Indien het in 2.14 gestelde redelijkerwijs niet haalbaar is, draagt de houder van de concessie er zorg voor dat bij de bestelling gelegenheid wordt geboden om daartoe geschikte postzendingen ten vervoer aan te bieden.
2.16. De houder van de concessie dient de brievenbussen bestemd voor het aanbieden van daartoe geschikte postzendingen in goede staat te houden en zodanig te plaatsen en uit te voeren, dat deze goed herkenbaar en bereikbaar zijn.
2.17. Tenzij bijzondere omstandigheden hem zulks verhinderen, zal de houder van de concessie ten minste zes dagen per week, met uitzondering van de feestdagen: eerste kerstdag, eerste paasdag, Hemelvaartsdag, eerste pinksterdag alsmede Koninginnedag, eenmaal per dag overal in Nederland postzendingen ophalen uit de voor het publiek bestemde brievenbussen dan wel uit andere daartoe bestemde inrichtingen en op alle dagen, niet zijnde zon- of feestdagen, overal in Nederland één postbestelling uitvoeren.
2.18. De houder van de concessie zorgt ervoor dat brieven, die overeenkomstig de daartoe gestelde voorwaarden aan hem worden aangeboden voor postvervoer binnen Nederland met de standaard overnight service, per kalenderjaar in ten minste gemiddeld 95% van de gevallen worden besteld op de dag, niet zijnde een zon- of officiële feestdag, volgende op de dag van aanbieding.
2.19. 1. De houder van de concessie voldoet aan de in onderdeel 2.18 omschreven norm voor de kwaliteit van de bestelling van postvervoer van brieven binnen Nederland met de standaard overnight service, indien de kwaliteit van de bestelling van die brieven per kalenderjaar gemeten over:
a. losse brieven, gefrankeerd met een postzegel, die op voor het algemene publiek bestemde aanbiedingspunten ten vervoer zijn aangeboden en,
b. de partijenpost brieven tot en met 50 gram die op daartoe bestemde aanbiedingspunten ten vervoer is aangeboden op grond van afzonderlijke overeenkomsten als bedoel in onderdeel 5.2, een, naar de onderlinge verhouding in stuksvolume van die verkeersstromen, over het desbetreffende kalenderjaar berekend, gewogen gemiddelde van ten minste 95% heeft.
2. In een jaarlijks door de houder van de concessie aan te wijzen, en voor 1 november aan het college bekend te maken, aaneengesloten periode van ten hoogste 21 dagen in de maand december wordt de meting van de overkomstduur van de brieven, bedoeld in het eerste lid onder a, uitsluitend verricht over losse brieven die op de voor het algemene publiek bestemde dienstverleningspunten, bedoeld in onderdeel 2.9, zijn aangeboden.
3. De houder van de concessie is verplicht de vorenbedoelde metingen van de kwaliteit van de bestelling per kalenderjaar over elke maand te laten uitvoeren door een onafhankelijke en daartoe deskundige instelling.
4. De houder van de concessie kondigt de periode, bedoeld in het tweede lid, op genoegzame wijze aan het publiek aan.
5. De houder van de concessie is verplicht in de periode, bedoeld in het tweede lid, op de desbetreffende dienstverleningspunten voldoende gelegenheid te bieden aan het publiek voor het aanbieden van brieven.
2.20. De houder van de concessie legt de algehele uitkomsten van die onderzoeken over het desbetreffende kalenderjaar, voorzien van een motivering en vergezeld van een nauwkeurige omschrijving van de door de betrokken instelling toegepaste meetsystematiek, voor 1 april van het daarop volgend jaar aan het college over.
Het college controleert aan de hand van de aan hem overgelegde gegevens de uitvoering door de houder van de concessie van de onderdelen 2.18 en de deugdelijkheid van de ter uitvoering van 2.19 verrichte metingen.
Het college maakt elk jaar zijn bevindingen van die controle bekend.
2.21. De houder van de concessie voldoet in het kader van het postvervoer ten aanzien van brieven en drukwerken van en naar een andere lidstaat van de Europese Unie of van en naar andere staten die partij zijn bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte aan de kwaliteitsnorm die in de bijlage van de richtlijn aan de overkomstduur wordt gesteld.
2.22. De houder van de concessie voldoet aan de in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen geplaatste technische normen, bedoeld in artikel 20 van de richtlijn, voorzover de normen betrekking hebben op de dienstverlening, bedoeld in onderdeel 2.2., behoudens dat de houder van de concessie aan het college kan verzoeken een norm dan wel een onderdeel daarvan geen toepassing te geven, wanneer zulks naar het oordeel van de houder van de concessie noodzakelijk blijkt voor de belangen van de gebruikers van het postvervoer.
Het college beslist binnen een maand of het instemt met het verzoek.
Wanneer zulks noodzakelijk blijkt voor de belangen van de gebruikers van het postvervoer, geeft de houder van de concessie aan de toe te passen normen bekendheid door middel van een verwijzing in de algemene voorwaarden naar die normen en naar de vindplaats daarvan in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.