BWBR0004408
Geldig vanaf 1989-01-01
Artikel 4
Besluit indicatie-advisering bejaardenoorden en verpleeginrichtingen
1. De commissie verricht naar aanleiding van het verzoek een onderzoek naar:
a. de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de verzoeker. Dit onderzoek vindt plaats door of onder verantwoordelijkheid van een arts, lid van de commissie;
b. de huishoudelijke en sociale omstandigheden en de woonsituatie van de verzoeker, de aard en mate van de aan deze geboden hulp en de mogelijkheden voor continuering of uitbreiding van die hulp.
2. Indien het een verzoek betreft tot opneming en verder verblijf in een psycho-geriatrische verpleeginrichting is het onderzoek, tenzij de verzoeker blijk geeft van bereidheid daartoe, gericht op de beantwoording van de vraag of de stoornis van zijn geestvermogens meebrengt dat verzoeker zich niet buiten een zodanige inrichting kan handhaven.
3. Indien het een verzoek betreft tot opneming en verder verblijf in een psycho-geriatrische verpleeginrichting, deelt het lid van de commissie dat als eerste contact met de verzoeker heeft, tenzij de verzoeker blijk geeft van bereidheid daartoe, verzoeker onmiddellijk mondeling mede dat hij bezwaar kan maken tegen zodanige opneming en verder verblijf.
4. Bij het onderzoek wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van gegevens die bij het verzoek zijn gevoegd of waarvan met toestemming van de verzoeker gebruik mag worden gemaakt.
5. De commissie kan bij haar onderzoek personen of instellingen betrekken die deskundig zijn op het terrein van voorzieningen die bestemd of mede bestemd zijn voor ouderen.
a. de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de verzoeker. Dit onderzoek vindt plaats door of onder verantwoordelijkheid van een arts, lid van de commissie;
b. de huishoudelijke en sociale omstandigheden en de woonsituatie van de verzoeker, de aard en mate van de aan deze geboden hulp en de mogelijkheden voor continuering of uitbreiding van die hulp.
2. Indien het een verzoek betreft tot opneming en verder verblijf in een psycho-geriatrische verpleeginrichting is het onderzoek, tenzij de verzoeker blijk geeft van bereidheid daartoe, gericht op de beantwoording van de vraag of de stoornis van zijn geestvermogens meebrengt dat verzoeker zich niet buiten een zodanige inrichting kan handhaven.
3. Indien het een verzoek betreft tot opneming en verder verblijf in een psycho-geriatrische verpleeginrichting, deelt het lid van de commissie dat als eerste contact met de verzoeker heeft, tenzij de verzoeker blijk geeft van bereidheid daartoe, verzoeker onmiddellijk mondeling mede dat hij bezwaar kan maken tegen zodanige opneming en verder verblijf.
4. Bij het onderzoek wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van gegevens die bij het verzoek zijn gevoegd of waarvan met toestemming van de verzoeker gebruik mag worden gemaakt.
5. De commissie kan bij haar onderzoek personen of instellingen betrekken die deskundig zijn op het terrein van voorzieningen die bestemd of mede bestemd zijn voor ouderen.