BWBR0004408
Geldig vanaf 1989-01-01
Artikel 2
Besluit indicatie-advisering bejaardenoorden en verpleeginrichtingen
1. De arts die zitting heeft in de commissie dient bevoegd te zijn tot het uitoefenen van de geneeskunst in Nederland en te beschikken over geriatrische en psycho-geriatrische deskundigheid. Indien meer dan één arts zitting heeft in de commissie dienen zij ten minste gezamenlijk over deze deskundigheden te beschikken.
2. De maatschappelijk werker die zitting heeft in de commissie dient te beschikken over deskundigheid op het terrein van de psycho-sociale verschijnselen, behorend bij het verouderingsproces, en in het bezit te zijn van een der getuigschriften uitgereikt vanwege:
a. een ingevolge de Wet op het Hoger Beroepsonderwijs bekostigde Sociale Academie;
b. een ingevolge de Wet op het Hoger Beroepsonderwijs bekostigde opleiding voor Hogere Sociale Arbeid, richting algemeen maatschappelijk werk, uitgaande van de Stichting voor Opleiding tot Sociale Arbeid te Haarlem of van de Katholieke Leergangen te Tilburg,
of over een, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, aan de in de onderdelen aen bgenoemde opleidingen gelijk te stellen combinatie van opleiding en ervaring.
2. De maatschappelijk werker die zitting heeft in de commissie dient te beschikken over deskundigheid op het terrein van de psycho-sociale verschijnselen, behorend bij het verouderingsproces, en in het bezit te zijn van een der getuigschriften uitgereikt vanwege:
a. een ingevolge de Wet op het Hoger Beroepsonderwijs bekostigde Sociale Academie;
b. een ingevolge de Wet op het Hoger Beroepsonderwijs bekostigde opleiding voor Hogere Sociale Arbeid, richting algemeen maatschappelijk werk, uitgaande van de Stichting voor Opleiding tot Sociale Arbeid te Haarlem of van de Katholieke Leergangen te Tilburg,
of over een, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, aan de in de onderdelen aen bgenoemde opleidingen gelijk te stellen combinatie van opleiding en ervaring.