BWBR0004197
Geldig vanaf 1987-07-25
Artikel 8
Erkenningsregeling vrijwillige plaatsingen jeugdhulpverlening
1. Ingeval van plaatsing van een jeugdige bij een pleegouder stelt de ambulante instelling die plaatsing van de jeugdige heeft geïndiceerd de pleegouder op de hoogte van de voorwaarden van de Subsidieregeling vrijwillige pleegzorg.
2. In geval van plaatsing van een jeugdige bij een pleegouder stelt de ambulante instelling die de jeugdige heeft geïndiceerd dan wel de ambulante instelling aan welke op grond van artikel 11de activiteiten zijn overgedragen binnen zes weken na de plaatsing een hulpverleningsplan op dat is afgestemd op de psycho-sociale problemen van de jeugdige. Het hulpverleningsplan wordt schriftelijk vastgelegd.
3. Het hulpverleningsplan bevat in ieder geval:
a. aandachtspunten met betrekking tot de wijze van opvoeding en verzorging van de jeugdige door de pleegouder;
b. doel, vorm en frequentie van de begeleiding door de ambulante instelling.
4. Indien een indicatie strekt tot plaatsing bij een pleegouder draagt de ambulante instelling, bedoeld in het eerste lid, zorgt voor de totstandkoming van een pleegcontract tussen haarzelf en de pleegouder en (zo mogelijk) de (stief)ouder(s) of voogd.
5. In geval van (her)plaatsing bij een pleegouder stelt de ambulante instelling tijdig voor het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 7, tweede lid, een schriftelijk stuk op waarin zij een beschrijving opneemt van de in de voorafgaande periode verleende hulp, onder vermelding van de resultaten daarvan. Zij geeft daarbij mede aan de hand van een beoordeling van de thuissituatie, gemotiveerd aan of, en zo ja waarom, zij voortzetting van de jeugdhulpverlening bij de desbetreffende pleegouder noodzakelijk acht. Bovendien wordt daarbij aangegeven in hoeverre het hulpverleningsplan en het pleegcontract wijzigingen behoeven.
6. Indien een pleegouder meer dan één jeugdige verzorgt en opvoedt en de begeleiding plaatsvindt door meer dan één ambulante instelling, stemmen de ambulante instellingen de begeleiding op elkaar af.
2. In geval van plaatsing van een jeugdige bij een pleegouder stelt de ambulante instelling die de jeugdige heeft geïndiceerd dan wel de ambulante instelling aan welke op grond van artikel 11de activiteiten zijn overgedragen binnen zes weken na de plaatsing een hulpverleningsplan op dat is afgestemd op de psycho-sociale problemen van de jeugdige. Het hulpverleningsplan wordt schriftelijk vastgelegd.
3. Het hulpverleningsplan bevat in ieder geval:
a. aandachtspunten met betrekking tot de wijze van opvoeding en verzorging van de jeugdige door de pleegouder;
b. doel, vorm en frequentie van de begeleiding door de ambulante instelling.
4. Indien een indicatie strekt tot plaatsing bij een pleegouder draagt de ambulante instelling, bedoeld in het eerste lid, zorgt voor de totstandkoming van een pleegcontract tussen haarzelf en de pleegouder en (zo mogelijk) de (stief)ouder(s) of voogd.
5. In geval van (her)plaatsing bij een pleegouder stelt de ambulante instelling tijdig voor het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 7, tweede lid, een schriftelijk stuk op waarin zij een beschrijving opneemt van de in de voorafgaande periode verleende hulp, onder vermelding van de resultaten daarvan. Zij geeft daarbij mede aan de hand van een beoordeling van de thuissituatie, gemotiveerd aan of, en zo ja waarom, zij voortzetting van de jeugdhulpverlening bij de desbetreffende pleegouder noodzakelijk acht. Bovendien wordt daarbij aangegeven in hoeverre het hulpverleningsplan en het pleegcontract wijzigingen behoeven.
6. Indien een pleegouder meer dan één jeugdige verzorgt en opvoedt en de begeleiding plaatsvindt door meer dan één ambulante instelling, stemmen de ambulante instellingen de begeleiding op elkaar af.