BWBR0004197
Geldig vanaf 1987-07-25
Artikel 2
Erkenningsregeling vrijwillige plaatsingen jeugdhulpverlening
1. De minister kan een ambulante instelling erkennen voor de in artikel 3genoemde activiteiten, ten behoeve van jeugdigen welke voorafgaande aan de hulpverlening duurzaam verbleven in een bij de erkenning aan te geven regio. De activiteiten kunnen worden uitgevoerd ten behoeve van jeugdigen afkomstig uit een andere regio, indien naar genoegen van de minister wordt aangetoond dat door stringente toepassing van de in de eerste zin opgenomen beperking de hulpverlening aan de jeugdige in gevaar komt.
2. De Raden voor de kinderbescherming worden als erkende ambulante instelling aangemerkt voor zover het betreft plaatsing ten behoeve van een onderzoek naar de noodzaak van een maatregel tot beperking of ontneming van de ouderlijke macht of de voogdij. De minister kan deze erkenning intrekken indien een raad niet voldoet aan de voorwaarden voor erkenning, tenzij het een voorwaarde betreft waaraan een Raad voor de kinderbescherming gezien zijn wettelijke taak niet kan worden gehouden.
2. De Raden voor de kinderbescherming worden als erkende ambulante instelling aangemerkt voor zover het betreft plaatsing ten behoeve van een onderzoek naar de noodzaak van een maatregel tot beperking of ontneming van de ouderlijke macht of de voogdij. De minister kan deze erkenning intrekken indien een raad niet voldoet aan de voorwaarden voor erkenning, tenzij het een voorwaarde betreft waaraan een Raad voor de kinderbescherming gezien zijn wettelijke taak niet kan worden gehouden.