BWBR0003881
Geldig vanaf 1988-01-01
Artikel 3
Vaststelling Richtlijnen 1986 voor beoordelen oprichtingen en statutenwijzigingen van n.v.'s en b.v.'s met beperkte aansprakelijkheid
Uit de akte van oprichting moet blijken hoeveel aandelen bij iedere oprichter zijn geplaatst.
In de akte moet worden vermeld tot welk bedrag op de aandelen is gestort en, bij inbreng in geld, dat de storting die bij de oprichting moet geschieden, heeft plaatsgevonden. Ingeval van storting overeenkomstig artikel 93a, lid 1 onder b, c.q. 203a, lid 1 onder b, van Boek 2 B.W., moet tevens in de akte worden vermeld dat de vennootschap die stortingen aanvaardt. Slechts voor zover op aandelen die tegen inbreng in natura zijn genomen, bij de oprichting de storting nog niet is geschied of voltooid, mag het gestorte kapitaal lager zijn dan het bij de oprichting moet bedragen; de verplichting tot onverwijlde storting moet dan worden vermeld (art. 67, 80–80b, 93–94a, 178, 191–191b, 203–204a).
De overeenkomst betreffende storting op aandelen in natura moet in haar geheel worden opgenomen in de akte van oprichting zelf of in een geschrift dat aan de akte van oprichting wordt gehecht en waarnaar de akte van oprichting verwijst. Dit geschrift moet bij het aanvragen van de verklaring van geen bezwaar aan het departement worden overgelegd. Indien de mogelijkheid wordt opengelaten voor aanpassing van de creditering wegens overinbreng aan de voor de belastingen vastgestelde waardering, moet zijn bepaald dat deze aanpassing slechts is toegelaten, indien een (register)accountant of accountant-administratieconsulent over de aangepaste waardering een verklaring aflegt op de voet van artikel 94a of 204a van Boek 2 B.W.; aanpassing van het geplaatste kapitaal wordt niet toegestaan. Het departement aanvaardt geen ontwerp-akte die, afhankelijk van de uitkomst van de waardering van de inbreng, nog moet worden gewijzigd of ingevuld.
Aanvaardbaar is bijvoorbeeld een inbrengregeling volgens een door de werkgroep Vennootschapsrecht uitgewerkt stramien dat als bijlage B bij deze richtlijnen is gevoegd. Bij de akte van oprichting kan de vennootschap niet worden verbonden buiten de perken van het laatste lid van de artikelen 93 of 203 van boek 2 B.W. Zo mogen bijvoorbeeld de aan het oprichten van een vennootschap verbonden kosten niet op deze wijze te haren laste worden gebracht.
In de akte moet worden vermeld tot welk bedrag op de aandelen is gestort en, bij inbreng in geld, dat de storting die bij de oprichting moet geschieden, heeft plaatsgevonden. Ingeval van storting overeenkomstig artikel 93a, lid 1 onder b, c.q. 203a, lid 1 onder b, van Boek 2 B.W., moet tevens in de akte worden vermeld dat de vennootschap die stortingen aanvaardt. Slechts voor zover op aandelen die tegen inbreng in natura zijn genomen, bij de oprichting de storting nog niet is geschied of voltooid, mag het gestorte kapitaal lager zijn dan het bij de oprichting moet bedragen; de verplichting tot onverwijlde storting moet dan worden vermeld (art. 67, 80–80b, 93–94a, 178, 191–191b, 203–204a).
De overeenkomst betreffende storting op aandelen in natura moet in haar geheel worden opgenomen in de akte van oprichting zelf of in een geschrift dat aan de akte van oprichting wordt gehecht en waarnaar de akte van oprichting verwijst. Dit geschrift moet bij het aanvragen van de verklaring van geen bezwaar aan het departement worden overgelegd. Indien de mogelijkheid wordt opengelaten voor aanpassing van de creditering wegens overinbreng aan de voor de belastingen vastgestelde waardering, moet zijn bepaald dat deze aanpassing slechts is toegelaten, indien een (register)accountant of accountant-administratieconsulent over de aangepaste waardering een verklaring aflegt op de voet van artikel 94a of 204a van Boek 2 B.W.; aanpassing van het geplaatste kapitaal wordt niet toegestaan. Het departement aanvaardt geen ontwerp-akte die, afhankelijk van de uitkomst van de waardering van de inbreng, nog moet worden gewijzigd of ingevuld.
Aanvaardbaar is bijvoorbeeld een inbrengregeling volgens een door de werkgroep Vennootschapsrecht uitgewerkt stramien dat als bijlage B bij deze richtlijnen is gevoegd. Bij de akte van oprichting kan de vennootschap niet worden verbonden buiten de perken van het laatste lid van de artikelen 93 of 203 van boek 2 B.W. Zo mogen bijvoorbeeld de aan het oprichten van een vennootschap verbonden kosten niet op deze wijze te haren laste worden gebracht.