BWBR0003700
Geldig vanaf 1984-09-07
Artikel 3
Besluit Kernprogramma opleiding diploma Kraamverzorgster 1984
1. De opleiding tot kraamverzorgster is gericht op het aanleren van vaardigheden welke benodigd zijn voor het vóór, tijdens en na de fysiologische bevalling verzorgen van kraamvrouw en pasgeborene en voor het assisteren van de verloskundige of arts tijdens de fysiologische bevalling alsmede voor het waarnemen van de huishouding gedurende het kraambed. De opleiding is mede gericht op het kunnen geven van voorlichting en instructie.
2. De opleiding heeft een totale duur van ten minste 16 maanden, verdeeld in een internaatsperiode en een praktijkleerperiode.
3. De opleiding vangt aan met een periode van ten minste 16 en ten hoogste 18 weken in internaatsverband, waaronder een stage van ten minste 5 dagen in een kraamcentrum.
4. Hierna volgt een praktijkperiode van ten minste één jaar bij een kraamcentrum, onderbroken door 2 weken van elk 5 dagen aaneengesloten in het internaat.
5. Ten hoogste 8 weken van de praktijkperiode kunnen in een inrichting worden doorgebracht.
6. De verantwoordelijkheid voor de internaatsopleiding ligt bij de directrice van het opleidingsinternaat; de verantwoordelijkheid voor de praktijkperiode in het kraamcentrum ligt bij de leidster-docente van het centrum. De praktijkperiode in een inrichting vindt plaats onder verantwoordelijkheid van het verpleegkundig hoofd van de verloskundige afdeling.
2. De opleiding heeft een totale duur van ten minste 16 maanden, verdeeld in een internaatsperiode en een praktijkleerperiode.
3. De opleiding vangt aan met een periode van ten minste 16 en ten hoogste 18 weken in internaatsverband, waaronder een stage van ten minste 5 dagen in een kraamcentrum.
4. Hierna volgt een praktijkperiode van ten minste één jaar bij een kraamcentrum, onderbroken door 2 weken van elk 5 dagen aaneengesloten in het internaat.
5. Ten hoogste 8 weken van de praktijkperiode kunnen in een inrichting worden doorgebracht.
6. De verantwoordelijkheid voor de internaatsopleiding ligt bij de directrice van het opleidingsinternaat; de verantwoordelijkheid voor de praktijkperiode in het kraamcentrum ligt bij de leidster-docente van het centrum. De praktijkperiode in een inrichting vindt plaats onder verantwoordelijkheid van het verpleegkundig hoofd van de verloskundige afdeling.