BWBR0003700
Geldig vanaf 1984-09-07
Artikel 16
Besluit Kernprogramma opleiding diploma Kraamverzorgster 1984
1. Tijdens de praktijkperiode worden de praktische vaardigheden en het persoonlijk functioneren getoetst aan de hand van waarderingsgesprekken.
Deze gesprekken dienen in de 3e, 6e en 9e maand van de praktijkperiode plaats te vinden aan de hand van een door de hoofdinspecteur vastgesteld formulier.
De waardering geschiedt in de bewoordingen goed, voldoende en onvoldoende.
2. Is de waardering in de 3e maand onvoldoende dan wordt de leerling van de opleiding in de desbetreffende instelling uitgesloten.
3. Is de waardering in de 6e maand onvoldoende dan bepaalt de leidster-docente in overleg met de coördinatiecommissie, of de leerling wordt uitgesloten van de opleiding in de desbetreffende instelling dan wel of de praktijkperiode wordt verlengd met ten hoogste 6 maanden.
4. Is de waardering in de 9e maand onvoldoende dan dient de opleiding met ten hoogste 6 maanden te worden verlengd, tenzij reeds een verlenging gegeven is door het overdoen van een deel van de opleiding bij onvoldoende waardering voor het gesprek in de 6e maand; in dit geval wordt de leerling van de opleiding in de desbetreffende instelling uitgesloten.
5. Tijdens de praktijkperiode wordt de theoretische kennis tweemaal getoetst en wel in een tussentoets en in een eindtoets.
6. Deze toetsen zijn schriftelijk en worden afgenomen op een door de coördinatiecommissie aangewezen plaats, en wel als volgt:
a. de toetsen worden door of vanwege de coördinatiecommissie samengesteld;
b. indien mogelijk worden de opgaven gerelateerd aan een praktijkgeval;
c. de tussentoets vindt plaats in de 6e maand, ten hoogste 4-6 weken voor de weken bedoeld in artikel 3, vierde lid;
d. de eindtoets vindt plaats in de 10e maand, ten hoogste 8-10 weken voor het eindgesprek.
Deze gesprekken dienen in de 3e, 6e en 9e maand van de praktijkperiode plaats te vinden aan de hand van een door de hoofdinspecteur vastgesteld formulier.
De waardering geschiedt in de bewoordingen goed, voldoende en onvoldoende.
2. Is de waardering in de 3e maand onvoldoende dan wordt de leerling van de opleiding in de desbetreffende instelling uitgesloten.
3. Is de waardering in de 6e maand onvoldoende dan bepaalt de leidster-docente in overleg met de coördinatiecommissie, of de leerling wordt uitgesloten van de opleiding in de desbetreffende instelling dan wel of de praktijkperiode wordt verlengd met ten hoogste 6 maanden.
4. Is de waardering in de 9e maand onvoldoende dan dient de opleiding met ten hoogste 6 maanden te worden verlengd, tenzij reeds een verlenging gegeven is door het overdoen van een deel van de opleiding bij onvoldoende waardering voor het gesprek in de 6e maand; in dit geval wordt de leerling van de opleiding in de desbetreffende instelling uitgesloten.
5. Tijdens de praktijkperiode wordt de theoretische kennis tweemaal getoetst en wel in een tussentoets en in een eindtoets.
6. Deze toetsen zijn schriftelijk en worden afgenomen op een door de coördinatiecommissie aangewezen plaats, en wel als volgt:
a. de toetsen worden door of vanwege de coördinatiecommissie samengesteld;
b. indien mogelijk worden de opgaven gerelateerd aan een praktijkgeval;
c. de tussentoets vindt plaats in de 6e maand, ten hoogste 4-6 weken voor de weken bedoeld in artikel 3, vierde lid;
d. de eindtoets vindt plaats in de 10e maand, ten hoogste 8-10 weken voor het eindgesprek.