De leerling wordt tot het eindexamen toegelaten als aan de hoofdinspecteur de volgende stukken zijn overgelegd, welke hem tenminste 3 weken vóór de datum van het examen dienen te worden voorgelegd door de provinciaal verpleegkundige:
a. het praktijkboekje waaruit moet blijken dat: de leerling kraamverzorgster het aantal onderbrekingsdagen zoals gesteld in artikel 4, tweede en derde lid, niet heeft overschreden, behoudens ontheffing ingevolge het vierde lid van dat artikel;
alle verplichte handelingen volgens artikel 15, eerste lid zijn afgetekend door of namens de leidster-docente van het kraamcentrum;
de zittingen op consultatiebureau's zoals gesteld in artikel 15, tweede lid, zijn bijgewoond;
de leerling kraamverzorgster het aantal onderbrekingsdagen zoals gesteld in artikel 4, tweede en derde lid, niet heeft overschreden, behoudens ontheffing ingevolge het vierde lid van dat artikel;
alle verplichte handelingen volgens artikel 15, eerste lid zijn afgetekend door of namens de leidster-docente van het kraamcentrum;
de zittingen op consultatiebureau's zoals gesteld in artikel 15, tweede lid, zijn bijgewoond;
b. de gezinslijst, volgens een in bijlage 2 aangegeven model, waaruit moet blijken dat de leerling kraamverzorgster aan de eisen gesteld in artikel 14, tweede lid, heeft voldaan;
c. de geanonimiseerde temperatuurlijsten behorende bij de op de gezinslijst vermelde verzorgingen;
d. een overzichtslijst afsluiting opleiding tot kraamverzorgsters, waaruit moet blijken dat de beoordelingen, bedoeld in de artikelen 10 en 16 met voldoende of goed zijn gewaardeerd.
e. een bewijs van storting in de rijksschatkist van het vastgestelde examengeld ten bedrage van f 60.