BWBR0003045
Geldig vanaf 1976-07-01
Artikel 454
Burgerlijk Wetboek Boek 2
1. Op verzoek van de Stichting Autoriteit Financiële Markten kan de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam aan een effectenuitgevende instelling als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020369/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1, onderdeel b, van de Wet toezicht financiële verslaggeving</a>bevelen een bericht als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020369/artikel/3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3, tweede lid, van de Wet toezicht financiële verslaggeving</a>algemeen verkrijgbaar te stellen.
2. De Stichting Autoriteit Financiële Markten kan het verzoek slechts indienen op de grond dat de financiële verslaggeving als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020369/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1, onderdeel d, van de Wet toezicht financiële verslaggeving</a>niet voldoet aan de daaraan ingevolgde artikel 3 van verordening (EG) 1606/2002 van het Europees Parlement en Raad van de Europese Unie van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (PbEG L 243), deze titel, of de <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/5:25c" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 5:25c, tweede, vierde of vijfde lid</a>, <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/5:25d" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">5:25d, tweede of vierde tot en met tiende lid</a>, <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/5:25e" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">5:25e</a>, <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/5:25v" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 5:25v, eerste lid</a>, of <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/5:25w" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 5:25w van de Wet op het financieel toezicht</a>gestelde voorschriften. Het verzoek vermeldt in welk opzicht de financiële verslaggeving als bedoeld in de vorige volzin niet voldoet.
3. Het verzoek heeft geen betrekking op de verklaring van de accountant, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/5:25c" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 5:25c, vierde lid, van de Wet op het financieel toezicht</a>.
4. Het verzoek kan worden gedaan tot negen maanden na:
a. de dag van toezending aan de Stichting Autoriteit Financiële Markten van de in artikel 1, onderdeel d, onder 1°, 2° en 3°, van de Wet toezicht financiële verslaggeving bedoelde stukken op grond van artikel 5:25o, eerste en vierde lid, van de Wet op het financieel toezicht;
b. de dag van toezending aan de Stichting Autoriteit Financiële Markten van de in artikel 1, onderdeel d, onder 4° tot en met 8°, van de Wet toezicht financiële verslaggeving bedoelde stukken op grond van artikel 5:25m, vijfde lid, van de Wet op het financieel toezicht;
c. de dag waarop de jaarrekening is openbaar gemaakt, bedoeld in artikel 394 lid 1, indien het een effectenuitgevende instelling betreft met statutaire zetel in Nederland, waarvan effecten alleen zijn toegelaten tot de handel op een met een gereglementeerde markt vergelijkbaar systeem in een staat die geen lidstaat is.
De leden 3 en 4 van artikel 449zijn van overeenkomstige toepassing.
5. Op de behandeling van het verzoek door de ondernemingskamer zijn de leden 1 tot en met 3 en 5 tot en met 7 van artikel 450van overeenkomstige toepassing.
2. De Stichting Autoriteit Financiële Markten kan het verzoek slechts indienen op de grond dat de financiële verslaggeving als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020369/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1, onderdeel d, van de Wet toezicht financiële verslaggeving</a>niet voldoet aan de daaraan ingevolgde artikel 3 van verordening (EG) 1606/2002 van het Europees Parlement en Raad van de Europese Unie van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (PbEG L 243), deze titel, of de <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/5:25c" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 5:25c, tweede, vierde of vijfde lid</a>, <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/5:25d" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">5:25d, tweede of vierde tot en met tiende lid</a>, <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/5:25e" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">5:25e</a>, <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/5:25v" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 5:25v, eerste lid</a>, of <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/5:25w" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 5:25w van de Wet op het financieel toezicht</a>gestelde voorschriften. Het verzoek vermeldt in welk opzicht de financiële verslaggeving als bedoeld in de vorige volzin niet voldoet.
3. Het verzoek heeft geen betrekking op de verklaring van de accountant, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/5:25c" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 5:25c, vierde lid, van de Wet op het financieel toezicht</a>.
4. Het verzoek kan worden gedaan tot negen maanden na:
a. de dag van toezending aan de Stichting Autoriteit Financiële Markten van de in artikel 1, onderdeel d, onder 1°, 2° en 3°, van de Wet toezicht financiële verslaggeving bedoelde stukken op grond van artikel 5:25o, eerste en vierde lid, van de Wet op het financieel toezicht;
b. de dag van toezending aan de Stichting Autoriteit Financiële Markten van de in artikel 1, onderdeel d, onder 4° tot en met 8°, van de Wet toezicht financiële verslaggeving bedoelde stukken op grond van artikel 5:25m, vijfde lid, van de Wet op het financieel toezicht;
c. de dag waarop de jaarrekening is openbaar gemaakt, bedoeld in artikel 394 lid 1, indien het een effectenuitgevende instelling betreft met statutaire zetel in Nederland, waarvan effecten alleen zijn toegelaten tot de handel op een met een gereglementeerde markt vergelijkbaar systeem in een staat die geen lidstaat is.
De leden 3 en 4 van artikel 449zijn van overeenkomstige toepassing.
5. Op de behandeling van het verzoek door de ondernemingskamer zijn de leden 1 tot en met 3 en 5 tot en met 7 van artikel 450van overeenkomstige toepassing.