BWBR0002844
Geldig vanaf 1973-01-01
Artikel 34
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
1. De uitkering bedoeld in § 3 van hoofdstuk IIgaat in:
a. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de aanvraag om een uitkering is ingediend, behoudens het bepaalde onder b van dit lid;
b. voor de weduwe, de weduwnaar of de minderjarige volle wees, die, aansluitend aan het overlijden van de uitkeringsgerechtigde die een uitkering ingevolge deze wet genoot, aanspraak op een uitkering maakt, met ingang van de eerste dag van de derde maand volgend op die, waarin het overlijden heeft plaatsgehad.
2. De uitkering bedoeld in § 3 van hoofdstuk IIwordt beëindigd:
a. bij overlijden van de uitkeringsgerechtigde die een echtgenoot of minderjarige kinderen achterlaat, met ingang van de eerste dag van de derde maand volgend op die, waarin het overlijden heeft plaatsgehad;
b. bij overlijden van de uitkeringsgerechtigde die geen echtgenoot of minderjarige kinderen achterlaat, met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die, waarin het overlijden heeft plaatsgehad;
c. bij huwelijk, daaronder begrepen de in artikel 1a, tweede lid, onder a, bedoelde situatie, van de weduwe of de weduwnaar, die niet als vervolgde recht heeft op een uitkering ingevolge deze wet, met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op die waarin daarvan sprake is.
3. De uitkering, bedoeld in artikel 13, wordt beëindigd bij het bereiken van de leeftijd van 21 jaar, tenzij artikel 13, onder b, van toepassing is, of bij het aangaan van een huwelijk door de volle wees vóór het bereiken van die leeftijd, daaronder mede begrepen de in artikel 1a, tweede lid, onder a, bedoelde situatie, met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op die, waarin de volle wees de leeftijd van 21 jaar bereikt heeft, onderscheidenlijk het huwelijk heeft plaatsgehad.
a. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de aanvraag om een uitkering is ingediend, behoudens het bepaalde onder b van dit lid;
b. voor de weduwe, de weduwnaar of de minderjarige volle wees, die, aansluitend aan het overlijden van de uitkeringsgerechtigde die een uitkering ingevolge deze wet genoot, aanspraak op een uitkering maakt, met ingang van de eerste dag van de derde maand volgend op die, waarin het overlijden heeft plaatsgehad.
2. De uitkering bedoeld in § 3 van hoofdstuk IIwordt beëindigd:
a. bij overlijden van de uitkeringsgerechtigde die een echtgenoot of minderjarige kinderen achterlaat, met ingang van de eerste dag van de derde maand volgend op die, waarin het overlijden heeft plaatsgehad;
b. bij overlijden van de uitkeringsgerechtigde die geen echtgenoot of minderjarige kinderen achterlaat, met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die, waarin het overlijden heeft plaatsgehad;
c. bij huwelijk, daaronder begrepen de in artikel 1a, tweede lid, onder a, bedoelde situatie, van de weduwe of de weduwnaar, die niet als vervolgde recht heeft op een uitkering ingevolge deze wet, met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op die waarin daarvan sprake is.
3. De uitkering, bedoeld in artikel 13, wordt beëindigd bij het bereiken van de leeftijd van 21 jaar, tenzij artikel 13, onder b, van toepassing is, of bij het aangaan van een huwelijk door de volle wees vóór het bereiken van die leeftijd, daaronder mede begrepen de in artikel 1a, tweede lid, onder a, bedoelde situatie, met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op die, waarin de volle wees de leeftijd van 21 jaar bereikt heeft, onderscheidenlijk het huwelijk heeft plaatsgehad.