BWBR0002844
Geldig vanaf 1973-01-01
Artikel 17
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
1. Op de in artikel 10bedoelde uitkering wordt, indien de uitkeringsgerechtigde de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0002221/artikel/7a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet</a>, heeft bereikt, een toeslag verleend. Deze toeslag bedraagt:
a. voor de gehuwde uitkeringsgerechtigde 60% van het bedrag van het bruto-ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 29 van die wet;
b. voor de ongehuwde uitkeringsgerechtigde 20% van het bedrag van het bruto-ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 29 van die wet.
2. De in het eerste lid bedoelde toeslag wordt niet verleend aan de gehuwde uitkeringsgerechtigde, van wie de echtgenoot recht heeft op enig pensioen en ten aanzien van wie artikel 19, achtste lid, wordt toegepast.
3. Onder enig pensioen als bedoeld in het tweede lid wordt verstaan, een pensioen ten laste van de Nederlandse Schatkist of die van de Nederlandse Antillen of Aruba, van een publiekrechtelijk lichaam of een privaatrechtelijke rechtspersoon in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel ten laste van een door het openbaar gezag in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba ingesteld fonds, alsmede een uitkering ingevolge deze wet of de <a href="/wet/BWBR0003664" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945</a>.
a. voor de gehuwde uitkeringsgerechtigde 60% van het bedrag van het bruto-ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 29 van die wet;
b. voor de ongehuwde uitkeringsgerechtigde 20% van het bedrag van het bruto-ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 29 van die wet.
2. De in het eerste lid bedoelde toeslag wordt niet verleend aan de gehuwde uitkeringsgerechtigde, van wie de echtgenoot recht heeft op enig pensioen en ten aanzien van wie artikel 19, achtste lid, wordt toegepast.
3. Onder enig pensioen als bedoeld in het tweede lid wordt verstaan, een pensioen ten laste van de Nederlandse Schatkist of die van de Nederlandse Antillen of Aruba, van een publiekrechtelijk lichaam of een privaatrechtelijke rechtspersoon in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel ten laste van een door het openbaar gezag in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba ingesteld fonds, alsmede een uitkering ingevolge deze wet of de <a href="/wet/BWBR0003664" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945</a>.