BWBR0002844
Geldig vanaf 1973-01-01
Artikel 10
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
1. De uitkering bedraagt een percentage van de ingevolge artikel 8vastgestelde grondslag, en wel:
a. 85% voor de gehuwde vervolgde, tenzij het bepaalde onder b van toepassing is;
b. 75% voor de gehuwde vervolgde, indien het inkomen van de echtgenoot, inkomsten uit vermogen daaronder niet begrepen, meer bedraagt dan 30% van het bedrag, bedoeld in artikel 8, zevende lid, onder b;
c. 80% voor de ongehuwde vervolgde met minderjarige kinderen;
d. 75% voor de alleenstaande vervolgde;
e. 75% voor de weduwe en de weduwnaar van de vervolgde met minderjarige kinderen, met dien verstande dat de uitkering ten hoogste wordt bepaald op een bedrag van € 2.533,89 per maand per 1 juli 1976 per 1 juli 2025: € 4.195,10;
f. 70% voor de weduwe en de weduwnaar van de vervolgde zonder minderjarige kinderen, met dien verstande dat de uitkering ten hoogste wordt bepaald op een bedrag van € 2.357,75 per maand per 1 juli 1976 per 1 juli 2025: € 3.903,50.
2. a. De percentages, genoemd in het eerste lid, onder a, b, c en d, worden met 15 verminderd met ingang van de dag waarop de uitkeringsgerechtigde de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt.
b. De percentages, genoemd in het eerste lid, onder e en f, worden met 20 verminderd met ingang van de dag waarop de uitkeringsgerechtigde de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt.
3. In de in het eerste lid onder a, b, c en d genoemde percentages is een toeslagpercentage van 5 begrepen. Deze toeslag bedraagt niet minder dan een bedrag overeenkomende met 10% van de grondslag genoemd in artikel 8, zevende lid, onder a.
4. Bij overlijden van de echtgenoot van de vervolgde blijft het uitkeringspercentage ongewijzigd tot en met de laatste dag van de maand, volgende op die, waarin het overlijden heeft plaatsgevonden.
a. 85% voor de gehuwde vervolgde, tenzij het bepaalde onder b van toepassing is;
b. 75% voor de gehuwde vervolgde, indien het inkomen van de echtgenoot, inkomsten uit vermogen daaronder niet begrepen, meer bedraagt dan 30% van het bedrag, bedoeld in artikel 8, zevende lid, onder b;
c. 80% voor de ongehuwde vervolgde met minderjarige kinderen;
d. 75% voor de alleenstaande vervolgde;
e. 75% voor de weduwe en de weduwnaar van de vervolgde met minderjarige kinderen, met dien verstande dat de uitkering ten hoogste wordt bepaald op een bedrag van € 2.533,89 per maand per 1 juli 1976 per 1 juli 2025: € 4.195,10;
f. 70% voor de weduwe en de weduwnaar van de vervolgde zonder minderjarige kinderen, met dien verstande dat de uitkering ten hoogste wordt bepaald op een bedrag van € 2.357,75 per maand per 1 juli 1976 per 1 juli 2025: € 3.903,50.
2. a. De percentages, genoemd in het eerste lid, onder a, b, c en d, worden met 15 verminderd met ingang van de dag waarop de uitkeringsgerechtigde de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt.
b. De percentages, genoemd in het eerste lid, onder e en f, worden met 20 verminderd met ingang van de dag waarop de uitkeringsgerechtigde de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt.
3. In de in het eerste lid onder a, b, c en d genoemde percentages is een toeslagpercentage van 5 begrepen. Deze toeslag bedraagt niet minder dan een bedrag overeenkomende met 10% van de grondslag genoemd in artikel 8, zevende lid, onder a.
4. Bij overlijden van de echtgenoot van de vervolgde blijft het uitkeringspercentage ongewijzigd tot en met de laatste dag van de maand, volgende op die, waarin het overlijden heeft plaatsgevonden.