BWBR0002830
Geldig vanaf 2000-01-01
Artikel 5
Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling
1. Een verzoek, als in artikel 2, eerste lid, bedoeld, wordt niet ingewilligd, indien:
a. Onze Minister niet is gebleken, dat de beroepsgenoten door de betrokken organisatie of organisaties van beroepsgenoten tijdig op de hoogte zijn gesteld van het voornemen tot een verzoek als in artikel 2, eerste lid, bedoeld;
b. Onze Minister bedenkingen heeft tegen de financiële opzet van een beroepspensioenfonds en de grondslagen, waarop het rust, zoals deze blijken uit een bij het verzoek te voegen gemotiveerde actuariële nota;
c. in de statuten en reglementen van de rechtspersoon, die geheel of gedeeltelijk als beroepspensioenfonds de beroepspensioenregeling zal uitvoeren, bepalingen ontbreken, welke beantwoorden aan de in de artikelen 2, derde lid, sub a of sub c, 7, 8, eerste en tweede lid, en 15 alsmede de artikelen 5, 9, 10 en 10b van de Pensioen- en spaarfondsenwet gegeven voorschriften, behoudens in gevallen, waarin artikel 26 dan wel artikel 29 van de Pensioen- en spaarfondsenwet toepassing vindt;
d. in de statuten en reglementen van de rechtspersoon, die, overeenkomstig artikel 2, derde lid, onder b, toezicht op de nakoming van de beroepspensioenregeling zal houden, bepalingen ontbreken, welke beantwoorden aan de in de artikelen 2, derde lid, sub b, 7, 8, eerste lid, en 15, alsmede artikel 5 van de Pensioen en spaarfondsenwet gegeven voorschriften, behoudens in gevallen, waarin artikel 26 dan wel artikel 29 van de Pensioen- en spaarfondsenwet toepassing vindt;
e. Onze Minister van oordeel is, dat de belangen der deelnemers, gewezen deelnemers en andere belanghebbenden niet voldoende zijn gewaarborgd in de statuten en reglementen van de rechtspersoon;
f. Onze Minister bedenkingen heeft tegen een of meer bepalingen van de statuten en reglementen van de rechtspersoon.
2. Onze Minister kan, met betrekking tot het eerste lid nadere regels vaststellen.
a. Onze Minister niet is gebleken, dat de beroepsgenoten door de betrokken organisatie of organisaties van beroepsgenoten tijdig op de hoogte zijn gesteld van het voornemen tot een verzoek als in artikel 2, eerste lid, bedoeld;
b. Onze Minister bedenkingen heeft tegen de financiële opzet van een beroepspensioenfonds en de grondslagen, waarop het rust, zoals deze blijken uit een bij het verzoek te voegen gemotiveerde actuariële nota;
c. in de statuten en reglementen van de rechtspersoon, die geheel of gedeeltelijk als beroepspensioenfonds de beroepspensioenregeling zal uitvoeren, bepalingen ontbreken, welke beantwoorden aan de in de artikelen 2, derde lid, sub a of sub c, 7, 8, eerste en tweede lid, en 15 alsmede de artikelen 5, 9, 10 en 10b van de Pensioen- en spaarfondsenwet gegeven voorschriften, behoudens in gevallen, waarin artikel 26 dan wel artikel 29 van de Pensioen- en spaarfondsenwet toepassing vindt;
d. in de statuten en reglementen van de rechtspersoon, die, overeenkomstig artikel 2, derde lid, onder b, toezicht op de nakoming van de beroepspensioenregeling zal houden, bepalingen ontbreken, welke beantwoorden aan de in de artikelen 2, derde lid, sub b, 7, 8, eerste lid, en 15, alsmede artikel 5 van de Pensioen en spaarfondsenwet gegeven voorschriften, behoudens in gevallen, waarin artikel 26 dan wel artikel 29 van de Pensioen- en spaarfondsenwet toepassing vindt;
e. Onze Minister van oordeel is, dat de belangen der deelnemers, gewezen deelnemers en andere belanghebbenden niet voldoende zijn gewaarborgd in de statuten en reglementen van de rechtspersoon;
f. Onze Minister bedenkingen heeft tegen een of meer bepalingen van de statuten en reglementen van de rechtspersoon.
2. Onze Minister kan, met betrekking tot het eerste lid nadere regels vaststellen.