BWBR0002830
Geldig vanaf 2000-01-01
Artikel 2
Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling
1. Onze Minister kan, op verzoek van een of meer naar zijn oordeel voor de betrokken tak van beroep voldoende representatieve organisaties van beroepsgenoten, het deelnemen in een door beroepsgenoten vastgestelde beroepspensioenregeling voor alle of een of meer bepaalde groepen van beroepsgenoten verplicht stellen. De Sociaal-Economische Raad en de Pensioen- & Verzekeringskamer verstrekken Onze Minister desgevraagd de ter zake benodigde inlichtingen.
2. Een beroepspensioenregeling houdt in:
a. hetzij de oprichting van een beroepspensioenfonds, dat in een zodanige regeling als uitvoeringsorgaan van die regeling is opgenomen;
b. hetzij de verplichting voor de betrokken beroepsgenoten tot het nakomen van de beroepspensioenregeling door middel van overeenkomsten van verzekering naar eigen keuze van de deelnemer te sluiten met onder a bedoelde beroepspensioenfonds, voorzover de beroepspensioenregeling hiertoe de mogelijkheid opent, of met een verzekeraar: 1°. die in het bezit is van de ingevolge artikel 24, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 vereiste vergunning of heeft voldaan aan de ingevolge artikel 37 of 38 van die wet vereiste procedure met betrekking tot een bijkantoor in Nederland; of
2°. die heeft voldaan aan de vereiste procedure als bedoeld in de artikelen 111, eerste lid, onderdelen a tot en met c, of tweede lid, 113, eerste of vierde lid, 116, eerste lid, onderdelen a tot en met c, of derde lid, of 118, tweede of vijfde lid, van genoemde wet indien het de aldaar bedoelde dienstverrichting naar Nederland betreft;
1°. die in het bezit is van de ingevolge artikel 24, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 vereiste vergunning of heeft voldaan aan de ingevolge artikel 37 of 38 van die wet vereiste procedure met betrekking tot een bijkantoor in Nederland; of
2°. die heeft voldaan aan de vereiste procedure als bedoeld in de artikelen 111, eerste lid, onderdelen a tot en met c, of tweede lid, 113, eerste of vierde lid, 116, eerste lid, onderdelen a tot en met c, of derde lid, of 118, tweede of vijfde lid, van genoemde wet indien het de aldaar bedoelde dienstverrichting naar Nederland betreft;
c. hetzij voor een deel van de regeling het onder a, voor het overblijvende deel van de regeling het onder b bepaalde.
3. Alvorens een verzoek, als in het eerste lid bedoeld, wordt ingewilligd, is onderscheidenlijk zijn de organisatie of organisaties van beroepsgenoten verplicht een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid in het leven te roepen, welke blijkens zijn statuten en reglementen:
a. hetzij als beroepspensioenfonds de beroepspensioenregeling zal uitvoeren;
b. hetzij erop zal toezien, dat de betrokken beroepsgenoten de beroepspensioenregeling nakomen op de wijze als in artikel 2, tweede lid, onder b, bedoeld;
c. hetzij een deel van de beroepspensioenregeling als beroepspensioenfonds zal uitvoeren en voor het overblijvende deel van de beroepspensioenregeling erop zal toezien, dat de betrokken beroepsgenoten dit deel nakomen op de wijze als in artikel 2, tweede lid, onder b, bedoeld.
4. Indien ingevolge het eerste lid het deelnemen in een beroepspensioenregeling is verplicht gesteld, zijn degenen, voor wie deze verplichtstelling geldt, verplicht tot naleving van het bij of krachtens de statuten en reglementen van de rechtspersoon te hunnen aanzien bepaalde.
5. De in het vierde lid opgelegde verplichting geldt niet ten aanzien van bepalingen van de statuten en reglementen, welke ten doel hebben de beslissing van de rechter omtrent twistgedingen uit te sluiten.
6. De verplichting tot het deelnemen in een beroepspensioenregeling kan door Onze Minister voor alle of een of meer bepaalde groepen van beroepsgenoten worden ingetrokken. De Sociaal-Economische Raad en de Pensioen- & Verzekeringskamer verstrekken Onze Minister desgevraagd de ter zake benodigde inlichtingen.
7. De verplichting tot het deelnemen in een beroepspensioenregeling wordt ingetrokken, indien:
a. wijziging wordt gebracht in de financiële opzet van het beroepspensioenfonds en de grondslagen, waarop het rust, zoals deze blijken uit de in artikel 5, eerste lid, onder b, bedoelde actuariële nota;
b. de statuten en reglementen van de rechtspersoon worden gewijzigd, tenzij Onze Minister heeft verklaard tegen die wijzigingen geen bedenkingen te hebben. De Sociaal-Economische Raad en de Pensioen- & Verzekeringskamer verstrekken Onze Minister desgevraagd de ter zake benodigde inlichtingen.
8. Van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste, zesde en zevende lid, kan mandaat worden verleend.
2. Een beroepspensioenregeling houdt in:
a. hetzij de oprichting van een beroepspensioenfonds, dat in een zodanige regeling als uitvoeringsorgaan van die regeling is opgenomen;
b. hetzij de verplichting voor de betrokken beroepsgenoten tot het nakomen van de beroepspensioenregeling door middel van overeenkomsten van verzekering naar eigen keuze van de deelnemer te sluiten met onder a bedoelde beroepspensioenfonds, voorzover de beroepspensioenregeling hiertoe de mogelijkheid opent, of met een verzekeraar: 1°. die in het bezit is van de ingevolge artikel 24, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 vereiste vergunning of heeft voldaan aan de ingevolge artikel 37 of 38 van die wet vereiste procedure met betrekking tot een bijkantoor in Nederland; of
2°. die heeft voldaan aan de vereiste procedure als bedoeld in de artikelen 111, eerste lid, onderdelen a tot en met c, of tweede lid, 113, eerste of vierde lid, 116, eerste lid, onderdelen a tot en met c, of derde lid, of 118, tweede of vijfde lid, van genoemde wet indien het de aldaar bedoelde dienstverrichting naar Nederland betreft;
1°. die in het bezit is van de ingevolge artikel 24, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 vereiste vergunning of heeft voldaan aan de ingevolge artikel 37 of 38 van die wet vereiste procedure met betrekking tot een bijkantoor in Nederland; of
2°. die heeft voldaan aan de vereiste procedure als bedoeld in de artikelen 111, eerste lid, onderdelen a tot en met c, of tweede lid, 113, eerste of vierde lid, 116, eerste lid, onderdelen a tot en met c, of derde lid, of 118, tweede of vijfde lid, van genoemde wet indien het de aldaar bedoelde dienstverrichting naar Nederland betreft;
c. hetzij voor een deel van de regeling het onder a, voor het overblijvende deel van de regeling het onder b bepaalde.
3. Alvorens een verzoek, als in het eerste lid bedoeld, wordt ingewilligd, is onderscheidenlijk zijn de organisatie of organisaties van beroepsgenoten verplicht een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid in het leven te roepen, welke blijkens zijn statuten en reglementen:
a. hetzij als beroepspensioenfonds de beroepspensioenregeling zal uitvoeren;
b. hetzij erop zal toezien, dat de betrokken beroepsgenoten de beroepspensioenregeling nakomen op de wijze als in artikel 2, tweede lid, onder b, bedoeld;
c. hetzij een deel van de beroepspensioenregeling als beroepspensioenfonds zal uitvoeren en voor het overblijvende deel van de beroepspensioenregeling erop zal toezien, dat de betrokken beroepsgenoten dit deel nakomen op de wijze als in artikel 2, tweede lid, onder b, bedoeld.
4. Indien ingevolge het eerste lid het deelnemen in een beroepspensioenregeling is verplicht gesteld, zijn degenen, voor wie deze verplichtstelling geldt, verplicht tot naleving van het bij of krachtens de statuten en reglementen van de rechtspersoon te hunnen aanzien bepaalde.
5. De in het vierde lid opgelegde verplichting geldt niet ten aanzien van bepalingen van de statuten en reglementen, welke ten doel hebben de beslissing van de rechter omtrent twistgedingen uit te sluiten.
6. De verplichting tot het deelnemen in een beroepspensioenregeling kan door Onze Minister voor alle of een of meer bepaalde groepen van beroepsgenoten worden ingetrokken. De Sociaal-Economische Raad en de Pensioen- & Verzekeringskamer verstrekken Onze Minister desgevraagd de ter zake benodigde inlichtingen.
7. De verplichting tot het deelnemen in een beroepspensioenregeling wordt ingetrokken, indien:
a. wijziging wordt gebracht in de financiële opzet van het beroepspensioenfonds en de grondslagen, waarop het rust, zoals deze blijken uit de in artikel 5, eerste lid, onder b, bedoelde actuariële nota;
b. de statuten en reglementen van de rechtspersoon worden gewijzigd, tenzij Onze Minister heeft verklaard tegen die wijzigingen geen bedenkingen te hebben. De Sociaal-Economische Raad en de Pensioen- & Verzekeringskamer verstrekken Onze Minister desgevraagd de ter zake benodigde inlichtingen.
8. Van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste, zesde en zevende lid, kan mandaat worden verleend.