BWBR0002830
Geldig vanaf 2000-01-01
Artikel 31
Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling
1. Vervallen.
2. Indien na aanneming bij aangetekende brief een met betrekking tot de rechtspersoon ter zake van achterstallige premies ontstane schuld binnen dertig dagen niet wordt voldaan, kan de rechtspersoon, ten deze vertegenwoordigd door zijn voorzitter en secretaris, daarna die schuld invorderen bij dwangbevel.
3. De in het vorige lid bedoelde aanmaning vermeldt de tekst van het tweede en vijfde tot en met negende lid van dit artikel en van het vierde lid van artikel 2.
4. Het dwangbevel houdt in:
a. de naam en de zetel van het beroepspensioenfonds;
b. de naam van de voorzitter en van de secretaris van het fonds;
c. de naam, het beroep, de woonplaats en het adres van de schuldenaar;
d. het bedrag van de achterstallige premies en dat van de wettelijke of reglementaire renten of reglementaire boeten, voor zover daarop aanspraak wordt gemaakt, alsmede de gronden waarop de vordering berust;
e. de datum waarop de in het tweede lid van dit artikel bedoelde aanmaning is geschied;
f. de tekst van het zesde en zevende lid van dit artikel.
5. Het dwangbevel levert een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvorderingkan worden tenuitvoergelegd.
6. Het dwangbevel kan niet ten uitvoer worden gelegd voordat acht dagen na de betekening daarvan zijn verstreken. Degene, aan wie het dwangbevel is gericht, kan gedurende dertig dagen na de betekening door middel van dagvaarding in verzet komen bij de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin hij zijn woon- of verblijfplaats heeft.
7. Het verzet stuit de tenuitvoerlegging van het dwangbevel; een aangevangen tenuitvoerlegging wordt geschorst.
8. Indien het verzet zich richt of mede richt tegen de hoogte van de gevorderde rente of boete en deze de rechter bovenmatig voorkomt, kan hij die ten aanzien van het hem voorgelegde geval verminderen of opheffen.
9. Het recht tot invordering bij dwangbevel strekt zich uit tot de kosten van vervolging.
2. Indien na aanneming bij aangetekende brief een met betrekking tot de rechtspersoon ter zake van achterstallige premies ontstane schuld binnen dertig dagen niet wordt voldaan, kan de rechtspersoon, ten deze vertegenwoordigd door zijn voorzitter en secretaris, daarna die schuld invorderen bij dwangbevel.
3. De in het vorige lid bedoelde aanmaning vermeldt de tekst van het tweede en vijfde tot en met negende lid van dit artikel en van het vierde lid van artikel 2.
4. Het dwangbevel houdt in:
a. de naam en de zetel van het beroepspensioenfonds;
b. de naam van de voorzitter en van de secretaris van het fonds;
c. de naam, het beroep, de woonplaats en het adres van de schuldenaar;
d. het bedrag van de achterstallige premies en dat van de wettelijke of reglementaire renten of reglementaire boeten, voor zover daarop aanspraak wordt gemaakt, alsmede de gronden waarop de vordering berust;
e. de datum waarop de in het tweede lid van dit artikel bedoelde aanmaning is geschied;
f. de tekst van het zesde en zevende lid van dit artikel.
5. Het dwangbevel levert een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvorderingkan worden tenuitvoergelegd.
6. Het dwangbevel kan niet ten uitvoer worden gelegd voordat acht dagen na de betekening daarvan zijn verstreken. Degene, aan wie het dwangbevel is gericht, kan gedurende dertig dagen na de betekening door middel van dagvaarding in verzet komen bij de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin hij zijn woon- of verblijfplaats heeft.
7. Het verzet stuit de tenuitvoerlegging van het dwangbevel; een aangevangen tenuitvoerlegging wordt geschorst.
8. Indien het verzet zich richt of mede richt tegen de hoogte van de gevorderde rente of boete en deze de rechter bovenmatig voorkomt, kan hij die ten aanzien van het hem voorgelegde geval verminderen of opheffen.
9. Het recht tot invordering bij dwangbevel strekt zich uit tot de kosten van vervolging.