BWBR0002611
Geldig vanaf 1968-01-01
Artikel 9
Natuurbeschermingswet
1. Onze Minister zendt onverwijld een afschrift van zijn in artikel 8, eerste lid, bedoelde beschikking met een kaart, waarop het natuurmonument is aangegeven, aan de eigenaren, de ingeschreven hypothecaire schuldeisers, burgemeester en wethouders der gemeente, het dagelijks bestuur van het waterschap en gedeputeerde staten der provincie, waarin het natuurmonument is gelegen en de Rijksplanologische Commissie.
2. Binnen een week na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde stukken doen burgemeester en wethouders deze ter secretarie gedurende vier weken ter kosteloze inzage voor een ieder nederleggen. De burgemeester maakt die nederlegging op de gebruikelijke wijze aan de ingezetenen bekend.
3. Binnen twee weken na verloop van de termijn van nederlegging kunnen de eigenaren, de ingeschreven hypothecaire schuldeisers, burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van het waterschap en overige belanghebbenden hun gevoelen omtrent de in overweging zijnde aanwijzing schriftelijk kenbaar maken aan gedeputeerde staten.
4. Binnen vier maanden na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde stukken zenden gedeputeerde staten alle bij hen ingekomen schrifturen, vergezeld van hun beschouwingen, aan Onze Minister, die een en ander onverwijld ter kennis brengt van de Rijksplanologische Commissie.
5. In bijzondere gevallen kan Onze Minister de in het vierde lid genoemde termijn op verzoek van gedeputeerde staten met twee maanden verlengen.
6. Binnen zes of, indien het vijfde lid is toegepast, binnen acht maanden na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde stukken brengen de Rijksplanologische Commissie omtrent de in overweging zijnde aanwijzing advies uit aan Onze Minister.
7. Binnen een jaar na het nemen van de in artikel 8, eerste lid, bedoelde beschikking gaat Onze Minister al dan niet tot aanwijzing over, doch niet alvorens hij het in het vorige lid bedoelde advies heeft ontvangen dan wel de krachtens dat lid geldende termijn is verstreken.
2. Binnen een week na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde stukken doen burgemeester en wethouders deze ter secretarie gedurende vier weken ter kosteloze inzage voor een ieder nederleggen. De burgemeester maakt die nederlegging op de gebruikelijke wijze aan de ingezetenen bekend.
3. Binnen twee weken na verloop van de termijn van nederlegging kunnen de eigenaren, de ingeschreven hypothecaire schuldeisers, burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van het waterschap en overige belanghebbenden hun gevoelen omtrent de in overweging zijnde aanwijzing schriftelijk kenbaar maken aan gedeputeerde staten.
4. Binnen vier maanden na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde stukken zenden gedeputeerde staten alle bij hen ingekomen schrifturen, vergezeld van hun beschouwingen, aan Onze Minister, die een en ander onverwijld ter kennis brengt van de Rijksplanologische Commissie.
5. In bijzondere gevallen kan Onze Minister de in het vierde lid genoemde termijn op verzoek van gedeputeerde staten met twee maanden verlengen.
6. Binnen zes of, indien het vijfde lid is toegepast, binnen acht maanden na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde stukken brengen de Rijksplanologische Commissie omtrent de in overweging zijnde aanwijzing advies uit aan Onze Minister.
7. Binnen een jaar na het nemen van de in artikel 8, eerste lid, bedoelde beschikking gaat Onze Minister al dan niet tot aanwijzing over, doch niet alvorens hij het in het vorige lid bedoelde advies heeft ontvangen dan wel de krachtens dat lid geldende termijn is verstreken.