BWBR0002538
Geldig vanaf 1966-10-31
Artikel 5
Wet schade oesterkwekers
1. De tegemoetkoming in de vermogensschade wordt vastgesteld op het bedrag van de werkelijke waarde op 31 december 1962 van de op dat tijdstip aan de oesterkweker toebehorende en tot de uitoefening van het oesterbedrijf dienende of mede dienende goederen, verminderd met de geschatte waarde van deze goederen bij aanwending buiten het oesterbedrijf.
2. Het eerste lid is eveneens van toepassing op tot de uitoefening van het oesterbedrijf van de oesterkweker dienende of mede dienende roerende zaken, welke hij krachtens een overeenkomst van huurkoop gebruikt.
3. Tot de in het eerste lid bedoelde goederen worden mede gerekend de zaken waarvoor de oesterkweker anders dan als eigenaar op grond van een overeenkomst aangegaan voor 1 januari 1963 het risico draagt.
4. De goederen bedoeld in het eerste en tweede lid, die niet uitsluitend dienen tot de uitoefening van het oesterbedrijf, worden voor de vaststelling van de tegemoetkoming in de vermogensschade slechts in de mate, waarin zij tot de uitoefening van het oesterbedrijf dienen, in aanmerking genomen.
5. Voor zover de zaken bestaan uit oestervoorraden wordt in afwijking van het eerste lid de tegemoetkoming vastgesteld op zestig ten honderd van de kostprijs van het deel van deze oestervoorraden, dat na 31 december 1962 ten gevolge van de vorst is verloren gegaan, tot een bedrag van ten hoogste f 50 000 en op vijftig ten honderd van het gedeelte, waarmee deze dat bedrag te boven gaat. Onze Minister kan normen vaststellen volgens welke de kostprijs van de oestervoorraden wordt bepaald.
2. Het eerste lid is eveneens van toepassing op tot de uitoefening van het oesterbedrijf van de oesterkweker dienende of mede dienende roerende zaken, welke hij krachtens een overeenkomst van huurkoop gebruikt.
3. Tot de in het eerste lid bedoelde goederen worden mede gerekend de zaken waarvoor de oesterkweker anders dan als eigenaar op grond van een overeenkomst aangegaan voor 1 januari 1963 het risico draagt.
4. De goederen bedoeld in het eerste en tweede lid, die niet uitsluitend dienen tot de uitoefening van het oesterbedrijf, worden voor de vaststelling van de tegemoetkoming in de vermogensschade slechts in de mate, waarin zij tot de uitoefening van het oesterbedrijf dienen, in aanmerking genomen.
5. Voor zover de zaken bestaan uit oestervoorraden wordt in afwijking van het eerste lid de tegemoetkoming vastgesteld op zestig ten honderd van de kostprijs van het deel van deze oestervoorraden, dat na 31 december 1962 ten gevolge van de vorst is verloren gegaan, tot een bedrag van ten hoogste f 50 000 en op vijftig ten honderd van het gedeelte, waarmee deze dat bedrag te boven gaat. Onze Minister kan normen vaststellen volgens welke de kostprijs van de oestervoorraden wordt bepaald.