BWBR0002503
Geldig vanaf 1966-03-01
Artikel 3
Besluit bewijs van verzekering niet-kentekenplichtige motorrijtuigen
1. Het bewijs van verzekering, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, wordt bevestigd op het achterspatbord in verticale of nagenoeg verticale stand en in de breedterichting van het gehandicaptenvoertuig, op zodanige wijze dat de op het bewijs vermelde letters zich boven de op het bewijs vermelde cijfers bevinden en de letters en cijfers goed zichtbaar zijn. Indien het gehandicaptenvoertuig meer achterwielen heeft, behoeft slechts één bewijs van verzekering op één van de achterspatborden te worden aangebracht. Indien het gehandicaptenvoertuig is voorzien van een bak of opbouw mag het bewijs van verzekering in plaats van op het achterspatbord ook worden bevestigd op de achterzijde van de bak of opbouw, zoveel mogelijk aan de uiterste linkerzijde daarvan.
2. Het bewijs van verzekering kan worden gebruikt met ingang van 1 januari van het kalenderjaar dat erop staat vermeld. De geldigheidsduur van het bewijs eindigt op 30 april van het daarop volgende jaar om 24.00 uur.
3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de kenmerken van het bewijs van verzekering.
2. Het bewijs van verzekering kan worden gebruikt met ingang van 1 januari van het kalenderjaar dat erop staat vermeld. De geldigheidsduur van het bewijs eindigt op 30 april van het daarop volgende jaar om 24.00 uur.
3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de kenmerken van het bewijs van verzekering.