BWBR0002503
Geldig vanaf 1966-03-01
Artikel 10
Besluit bewijs van verzekering niet-kentekenplichtige motorrijtuigen
1. Het is verboden om als bezitter dan wel als houder in de zin van artikel 2, tweede lid, van de wet, een gehandicaptenvoertuig, waarop ingevolge artikel 8een bewijs van vrijstelling moet zijn bevestigd, op een weg te doen rijden of te laten staan of toe te laten dat daarmee op een weg wordt gereden of gestaan, of buiten een weg met een zodanig gehandicaptenvoertuig deel te nemen of toe te laten dat daarmee wordt deelgenomen aan het verkeer zonder dat een geldig bewijs van vrijstelling op de voorgeschreven wijze op het gehandicaptenvoertuig is bevestigd of indien de letters en cijfers van het bewijs van vrijstelling niet goed zichtbaar zijn. Het voorgaande is niet van toepassing jegens de bezitter van het gehandicaptenvoertuig, indien de houder van het gehandicaptenvoertuig een houder is als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de wet.
2. Het is verboden om als bestuurder met een gehandicaptenvoertuig, waarop ingevolge artikel 8een bewijs van vrijstelling moet zijn bevestigd, op een weg te rijden of te staan of buiten een weg met zodanig gehandicaptenvoertuig deel te nemen aan het verkeer zonder dat een geldig bewijs van vrijstelling op de voorgeschreven wijze op het gehandicaptenvoertuig is bevestigd of indien de letters en cijfers van het bewijs van vrijstelling niet goed zichtbaar zijn.
3. Het is verboden om als bezitter dan wel als houder in de zin van artikel 2, tweede lid, van de wet, een bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de Wegenverkeerswet 1994, waarop ingevolge artikel 8een bewijs van vrijstelling moet zijn bevestigd, op een weg te doen rijden of te laten staan of toe te laten dat daarmee op een weg wordt gereden of gestaan, of buiten een weg met een zodanige bromfiets deel te nemen of toe te laten dat daarmee wordt deelgenomen aan het verkeer zonder dat een geldig bewijs van vrijstelling op de voorgeschreven wijze op de bromfiets is bevestigd of indien de letters en cijfers van het bewijs van vrijstelling niet goed zichtbaar zijn. Het voorgaande is niet van toepassing jegens de bezitter van de bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de Wegenverkeerswet 1994, indien de houder van de bromfiets een houder is als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de wet.
4. Het is verboden om als bestuurder met een bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de Wegenverkeerswet 1994, waarop ingevolge artikel 8een bewijs van vrijstelling moet zijn bevestigd, op een weg te rijden of te staan of buiten een weg met zodanige bromfiets deel te nemen aan het verkeer zonder dat een geldig bewijs van vrijstelling op de voorgeschreven wijze op de bromfiets is bevestigd of indien de letters en cijfers van het bewijs van vrijstelling niet goed zichtbaar zijn.
2. Het is verboden om als bestuurder met een gehandicaptenvoertuig, waarop ingevolge artikel 8een bewijs van vrijstelling moet zijn bevestigd, op een weg te rijden of te staan of buiten een weg met zodanig gehandicaptenvoertuig deel te nemen aan het verkeer zonder dat een geldig bewijs van vrijstelling op de voorgeschreven wijze op het gehandicaptenvoertuig is bevestigd of indien de letters en cijfers van het bewijs van vrijstelling niet goed zichtbaar zijn.
3. Het is verboden om als bezitter dan wel als houder in de zin van artikel 2, tweede lid, van de wet, een bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de Wegenverkeerswet 1994, waarop ingevolge artikel 8een bewijs van vrijstelling moet zijn bevestigd, op een weg te doen rijden of te laten staan of toe te laten dat daarmee op een weg wordt gereden of gestaan, of buiten een weg met een zodanige bromfiets deel te nemen of toe te laten dat daarmee wordt deelgenomen aan het verkeer zonder dat een geldig bewijs van vrijstelling op de voorgeschreven wijze op de bromfiets is bevestigd of indien de letters en cijfers van het bewijs van vrijstelling niet goed zichtbaar zijn. Het voorgaande is niet van toepassing jegens de bezitter van de bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de Wegenverkeerswet 1994, indien de houder van de bromfiets een houder is als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de wet.
4. Het is verboden om als bestuurder met een bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de Wegenverkeerswet 1994, waarop ingevolge artikel 8een bewijs van vrijstelling moet zijn bevestigd, op een weg te rijden of te staan of buiten een weg met zodanige bromfiets deel te nemen aan het verkeer zonder dat een geldig bewijs van vrijstelling op de voorgeschreven wijze op de bromfiets is bevestigd of indien de letters en cijfers van het bewijs van vrijstelling niet goed zichtbaar zijn.