BWBR0002474
Geldig vanaf 23-11-1994
Artikel 36d
Mijnreglement 1964
1. Een mijnbouwinstallatie moet voldoende sterk zijn om bij de maximaal toelaatbare belasting de op grond van windsterkte, golfslag en stroming van het water te verwachten krachten te weerstaan.
2. De bestuurders van een mijnonderneming of in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming, waarbij een of meer mijnbouwinstallaties in gebruik zijn, dienen ten aanzien van elk van die installaties te beschikken over een door een ter zake deskundige en door Onze Minister als zodanig erkende instelling of onderneming afgegeven verklaring, inhoudende dat de installatie aan het bij en krachtens het eerste lid bepaalde voldoet.
3. Door Onze Minister aangewezen mijnbouwinstallaties moeten:
a. regelmatig, volgens een doelmatig schema over een door Onze Minister aan te geven aantal jaren, zomede overeenkomstig een jaarlijks inspectieplan, achtereenvolgens op de staat van onderhoud en de sterkte van de onderscheiden onderdelen der installatie aan een doelmatige inspectie worden onderworpen;
b. telkens na verloop van het aantal jaren als onder a bedoeld, binnen een door Onze Minister aan te geven termijn, aan een voldoende en doelmatig algeheel onderzoek betreffende de staat van onderhoud en de sterkte der installatie worden onderworpen; Onze Minister kan bepalen, dat het onderzoek moet worden verricht door een ter zake deskundige instelling of onderneming.
4. Van een schema en een plan als in het derde lid, onder a, bedoeld dient tijdig een exemplaar aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen te worden overgelegd. Indien Onze Minister van oordeel is dat een inspectieplan niet aan redelijk te stellen eisen voldoet, moet dit op zijn verlangen en tot zijn genoegen worden gewijzigd.
5. Van een inspectie of onderzoek als in het derde lid bedoeld moet zo spoedig mogelijk na de voltooiing daarvan een doelmatig rapport worden opgesteld, van welk rapport onverwijld een exemplaar aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen dient te worden toegezonden.
6. Nadat een onderzoek als in het derde lid, onder b, bedoeld is voltooid, dienen de betrokken bestuurders te beschikken over een nieuwe, onverwijld na die voltooiing door een in het tweede lid bedoelde instelling of onderneming afgegeven verklaring, inhoudende dat de installatie aan het bij en krachtens het eerste lid bepaalde voldoet.
7. Een verklaring als in het tweede of zesde lid bedoeld moet in afschrift aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen worden overgelegd.
2. De bestuurders van een mijnonderneming of in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming, waarbij een of meer mijnbouwinstallaties in gebruik zijn, dienen ten aanzien van elk van die installaties te beschikken over een door een ter zake deskundige en door Onze Minister als zodanig erkende instelling of onderneming afgegeven verklaring, inhoudende dat de installatie aan het bij en krachtens het eerste lid bepaalde voldoet.
3. Door Onze Minister aangewezen mijnbouwinstallaties moeten:
a. regelmatig, volgens een doelmatig schema over een door Onze Minister aan te geven aantal jaren, zomede overeenkomstig een jaarlijks inspectieplan, achtereenvolgens op de staat van onderhoud en de sterkte van de onderscheiden onderdelen der installatie aan een doelmatige inspectie worden onderworpen;
b. telkens na verloop van het aantal jaren als onder a bedoeld, binnen een door Onze Minister aan te geven termijn, aan een voldoende en doelmatig algeheel onderzoek betreffende de staat van onderhoud en de sterkte der installatie worden onderworpen; Onze Minister kan bepalen, dat het onderzoek moet worden verricht door een ter zake deskundige instelling of onderneming.
4. Van een schema en een plan als in het derde lid, onder a, bedoeld dient tijdig een exemplaar aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen te worden overgelegd. Indien Onze Minister van oordeel is dat een inspectieplan niet aan redelijk te stellen eisen voldoet, moet dit op zijn verlangen en tot zijn genoegen worden gewijzigd.
5. Van een inspectie of onderzoek als in het derde lid bedoeld moet zo spoedig mogelijk na de voltooiing daarvan een doelmatig rapport worden opgesteld, van welk rapport onverwijld een exemplaar aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen dient te worden toegezonden.
6. Nadat een onderzoek als in het derde lid, onder b, bedoeld is voltooid, dienen de betrokken bestuurders te beschikken over een nieuwe, onverwijld na die voltooiing door een in het tweede lid bedoelde instelling of onderneming afgegeven verklaring, inhoudende dat de installatie aan het bij en krachtens het eerste lid bepaalde voldoet.
7. Een verklaring als in het tweede of zesde lid bedoeld moet in afschrift aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen worden overgelegd.
- Citeren als
- Art. 36d
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0002474
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl